Brief bio sketch

Lloyd Haft (1946- ) was born in Sheboygan, Wisconsin USA and lived as a boy in Wisconsin, Louisiana and Kansas. In 1968 he graduated from Harvard College and went to Leiden, The Netherlands for graduate study in Chinese (M. A. 1973, Ph. D. 1981). From 1973 to 2004 he taught Chinese language and literature, mostly poetry, at Leiden. His sinological publications include Pien Chih-lin: A Study in Modern Chinese Poetry (1983/2011; published in Chinese translation as 发现卞之琳: 一位西方学者的探索之旅 in 2010) and Zhou Mengdie’s Poetry of Consciousness (2006). His most recent book, a liberal modern Dutch reading of Laozi's Daode jing, was published as Lau-tze's vele wegen by Synthese in September 2017.



He has translated extensively into English from the Dutch of Herman Gorter and Willem Hussem, and from the Chinese of various poets including Lo Fu, Yang Lingye, Bian Zhilin and Zhou Mengdie.



Since the 1980s he has also been active as a poet writing in Dutch and English. He was awarded the Jan Campert Prize for his 1993 bilingual volume Atlantis and the Ida Gerhardt Prize for his 2003 Dutch free-verse readings of the Psalms (republished by Uitgeverij Vesuvius in 2011). His newer poems are published (some republished) on this blog.



After early retirement in 2004, for a number of years Lloyd Haft spent much of his time in Taiwan with his wife Katie Su. In addition to writing and translating, his interests include Song-dynasty philosophy and taiji quan. He sings in the choir of a Roman Catholic church of the Eastern Rite in The Hague.



Friday, June 24, 2011

ZUIVEL VAN VERRE (verhaal: deel 3 van 3)

(uit Optekeningen over het Uitzonderlijke uit een Sinologisch Studeervertrek 漢齋誌異 van Lloyd Haft)

Toen hij ontwaakte was het alsof er dagen waren verstreken. Hij ging, wat hem geen geringe inspanning kostte, in zijn bed rechtop zitten en nam langzaam de hem omringende kamer op. Muf grijs daglicht hing gestold in de smoezelige gordijnen die nog altijd slordig voor de ramen dicht waren getrokken. De zichtbare oppervlakten van muren, vloer en meubels waren rijkelijk bestrooid met het alomtegenwoordige gruis van de Oude Hoofdstad – met dat onbeschrijfelijk droge, prikkelende mengsel van stof en gruiskool, dat zich zo ideaal leent voor de chronische en ongeneeslijke besmetting en ontsteking van menselijke kelen, longen, en slijmvliezen. Bij dit alles voegde zich de viezeig voelbare aanwezigheid van een sterke, vuile, onzichtbaar stinkende sluier van half-bedorven sigarerook.
        Zelfs indien elk bot in zijn lichaam verbrijzeld en elke pees gescheurd was geweest, hij had zich niet volkomener vernield kunnen voelen. Niettegenstaande besefte hij, dat hij onverwijld enige activiteit, hoe banaal ook, moest ondernemen teneinde zijn psyche ondubbelzinnig opnieuw in de stoffelikheid post te doen vatten. De gebeurtenissen der voorgaande uren waren van een dusdanig bovenzinnelijke bekoring en betekenis geweest, en hadden zich afgespeeld op zulk een onoverbrugbare afstand van welk definieerbaar brandpunt in het tijdelijke en ruimtelijke ook, dat zij thans een onmiddellijke dreiging vormden voor de functionele samenhang en doorgaande levensvatbaarheid van de bewuste persoonlijkheid van de jonge onderzoeker. Kort gezegd: zijn hart en hoofd dienden direct te worden afgeleid, wilde zijn vleselijk belichaamde entiteit geen noodlottige afkeer opvatten tegen het op aarde blijven verdragen van de inwoning zijner ziel.
        Hij besloot een bad te nemen, schone kleren aan te trekken, en ergens een stevige maaltijd te gaan nuttigen. Een maaltijd...Had zijn inwijdster, tijdens haar kortstondige, miraculeuze bezoek, hem niet voorzien van een medische diagnose, en van daaruit voortvloeiende diëtaire voorschriften? Ofschoon hij slechts de vaagste herinnering bewaarde aan de woorden die zij tot hem had gesproken, was hij er zeker van, dat zij hem met klem had aangeraden spijzen met een rijk gehalte aan kalk in grote hoeveelheden tot zich te nemen.
        Met de gedachte zijn indrukken te bevestigen door de aantekeningen, die hij van haar dictaat had gemaakt, te herlezen, nam hij het aantekeningenboekje weder in zijn handen. Het lag nog altijd geopend op de bladzijde, waarop hij achtereenvolgens had geschreven:

bu dong
bu tong
wutong.

Vooreerst weinig belangstelling voelende in verdere pogingen tot fonologische reconstructie, sloeg hij terug naar de vorige bladzijde. Deze bleek van boven tot onder te zijn beschreven met keurig gevormde dichtregels in een roerend schoon handschrift dat niet het zijne was.
        Het gedicht werd voorafgegaan door een onderstreepte titel in merkwaardig hoekige hoofdletters. Hij las in stilte, zijn lippen zachtjes bewegend:

Madame Platane pleit

Wat nu in staande goudvergane glorie
in spoorboomstilteschaduwen
geen heil verwacht dan verder teken ik.

O vind mij op Uw fiets te mijnen middag.
Laat mij, testament van niets gegeven,
U geven verder geven dan verstaan.

Ik roep U op, ik roep alom beneden,
o zie naar mij, die bij Uw spoor verbijster,
en waar geen ander wandelt, bloed dan U.

Hij was sprakeloos. Was dit het modelgedicht, dat zij aan hem had gedicteerd? Was dit het practische resultaat van de zo twijfelachtig schematisch aandoende schrijftechnieken welke zij, naar eigen beweren, geleerd had van de in ontlichaamde toestand verkerende Li Shangyin?
        Duidelijk was, dat het gedicht het interpretatievermogen van de jonge onderzoeker te boven ging. Wellicht was het, vanuit welk standpunt ook bezien, gewoonweg onzin. Welk een vreemdsoortig samenstel van taal, beeldspraak, en allusie! De titel, “Madame Platane pleit”, had zeer wel plagiaat kunnen zijn van Wallace Stevens. Onder de voorouders van Stevens waren er inderdaad geweest, die Pennsylvania Dutch spraken – maar zou de vorm “pleit” tot hun dialect hebben behoord?
        En waarom, überhaupt, was het gedicht geschreven, niet in het Chinees, noch zelfs in het Engels, doch in het Nederlands? Wel is waar bezat het meisje althans enige kennis van het Hoogduits van Rilke. Hoe echter was zij in staat geweest een heel gedicht in herkenbaar Nederlands te produceren?
        De jonge onderzoeker riep zich andermaal de gehele toedracht voor de geest. Het meisje was voor het eerst zijn kennisveld binnengetreden toen hij bezig was een Nederlandse sigaar te roken. Even daarvóór had hij met genoegen sigarendoosetiketten gelezen, die in het Nederlands waren gesteld. Mogelijkerwijs had zijn eigen, zo duidelijk uitstralende aandoening van genieting als een baken gewerkt, naar welks licht het meisje, in haar Essentiële Toestand verkerend, haar weg tot hem had kunnen vinden. Wellicht had het haar toegeschenen dat het Nederlands de meest betrouwbare basis bood waarop een duurzaam stelsel van psychische affiniteit kon worden gegrondvest; het Nederlands moest immers, naar haar beste weten, de oorzaak zijn geweest van het enthousiasme zijnerzijds, dat zij vermoedelijk als Etherische ankerplaats wilde gebruiken voor het intense gevoelsrapport, dat het kanaal kon vormen van hun gezamenlijk psychisch waarnemen. In ieder geval kon de lexicale en grammaticale kennis, benodigd voor het maken van het gedicht, uiteraard langs paranormale weg uit zijn eigen subliminale geheugen zijn overgenomen.
        Maar hoe het gedicht te interpreteren? De kennelijke verwijzingen naar een wielrijder, die in de nabijheid van een spoorwegovergang onder plataanbladeren rijdt, leken duidelijk te zinspelen op de wijze waarop hij zelf, gedurende zijn jaren als student in de Lage Landen, de zondagmiddag placht door te brengen. Wat moest men echter beginnen – om slechts één voorbeeld te noemen – met de laatste regel, die hem oprecht onbegrijpelijk voorkwam?
        Zonder waarschuwing, leken zijn ogen plotseling bewolkt te worden met droge, wolachtige, zwevende witte vlekken. Het besef drong tot hem door dat hij slap was, letterlijk trilde, van honger. Hij legde het aantekeningenboekje neer, stond op, en begon zich de gekreukte, vuile kleren bijkans van het lijf te rukken.
        Vijftien minuten later had hij zich gebaad, zich aangekleed, zijn woonvertrekken verlaten, en van een straatventer drie sesambroodjes gekocht. Terwijl hij de winderige, stoffige straten der Oude Hoofdstad afliep, al lopende etend, realiseerde hij zich dat “Madame Platane” denkbaar een grillige vertaling zou kunnen zijn van wutong. Wutong was, gelijk wij reeds zagen, één der drie uitdrukkingen welke, in de hypothese van de jonge onderzoeker, mogelijk de laatste uitspraak van het meisje konden hebben gevormd. Wat kon echter de betekenis zijn der andere twee – in de volgorde, zoals oorspronkelijk door hem opgetekend, bu dong en bu tong?
       ‘Natuurlijk! Dát is het!’ schreeuwde hij plotseling, als aan de grond genageld, tot verbazing van alle omstanders. ‘Die woorden in die volgorde! ’t Is een simpele kwestie van interpunctie!’
        Het zou van geen nut zijn ons uitvoerig af te vragen welke de reacties waren, die bij de inwoners van het Middenrijk opkwamen bij het zien van dit wondere exemplaar der uitheemse fysiognomie, dat in één hunner straten stokstijf stilstond en daarbij betekenisloze syllaben uitkraamde, die voor geen zichtbaar gehoor konden zijn bestemd. In elk geval zou geen hunner hebben bevroed, dat de jonge onderzoeker bij zich zelve op de mogelijkheid was gestuit, de desbetreffende uitdrukkingen zodanig te rangschikken dat zij de zin vormden: Wutong bu dong, bu tong, die naar hij aannam moest betekenen: ‘Zo lang de plataan niet wordt begrepen, kun jij geen verbinding met mij tot stand brengen’. Evenmin hadden zij zich kunnen voorstellen dat, in één dier ontstellend plotselinge gedachtencombinaties, die als weinig andere vormen van psychische gewaarwording het bewijs leveren voor het ontegenzeggelijk boventijdruimtelijke, onvergankelijk samenhangende karakter van de menselijke geest, bij de jonge onderzoeker door de naam van de plataan een levendige herinnering boven was gekomen aan zijn lang vergeten jeugdige ambitie, broodwinning én roeping te vinden in de dendrologie. Hoe lang geleden was het geweest, die zomer dat hij bij vooraanstaande Noord-Amerikaanse universiteiten een indrukwekkend assortiment brochures had aangevraagd met betrekking tot de beschikbare leergangen op het gebied van de bosbouw, natuurbescherming, en houtvesterij? Hij wist zich met stelligheid te herinneren, dat aanstaande studenten in die vakgebieden buitengewoon aantrekkelijke financiële condities werden aangeboden, zodat zelfs de leerjaren reeds als het begin van een ongemeen aangename loopbaan mochten worden beschouwd. Zouden zulke omstandigheden alsnog gelden?
        In ieder geval was het zonneklaar, zoals de jonge onderzoeker zich realiseerde terwijl hij als vastgeworteld aan de grond bleef staan, de starende, rochelende, spuwende, dralende menigte om hem heen vergeten, dat de Sinologie hem niets meer te bieden had. Wat voor glans, vergeleken met de gewaagde krachttoer van weergaloze romantiek die hem laatstelijk was toegevallen, kon een toekomst in de filologie nog bergen? Al wijdde hij nog een halve eeuw lang zijn krachten aan de classificatie der sub-fonemische intensiteitsverschillen der dentale explosieven, hij mocht nimmer meer hopen de Geliefde nog eens te ontmoeten, hetzij getooid in de smaragden plooien van haar Essentiële Kleed, hetzij in het legergroen van alle dag.
        Was zulks echter gans onmogelijk?
        Zo snel en zo recht als de pijl van een kruisboog, viel de ene en onvermijdelijke conclusie zijn geest binnen, waartoe zijn overpeinzingen omtrent de afscheidswoorden van de Geliefde noodzakelijkerwijs moesten leiden. Had zij niet gezegd, volgens zijn eigen analyse, ‘Zo lang de plataan niet wordt begrepen, kun jij geen verbinding met mij tot stand brengen’ ? Welke gevolgtrekking lag dan meer voor de hand, dan dat er, wanneer hij eenmaal wèl de plataan zou begrijpen, een kanaal van voortgezette Astrale Communicatie kon worden geopend ? In het Gedicteerde Gedicht had zij zeer kennelijk zichzelf de rol van plataan toebedeeld. Was het niet volstrekt, ja belachelijk duidelijk, dat wanneer hij zich de leer der dendrologie eigen zou maken, zou leren het op een sirenenlied gelijkende gewispel der ritselende plataanbladeren als het ware te ‘begijpen’’ – de Geliefde wederom tot hem zou kunnen naderen?
        Hij wist wat hem te doen stond. Hij zou onverwijld China verlaten, de Sinologie de rug toe keren, zo vroeg als ’t mogelijk was zich laten inschrijven als student in de dendrologie, en met al zijn aangeboren vlijt zich overgeven aan een nieuwe carrière en een nieuw leven, en aan de vreugdevolle herinnering aan de Entiteit, van wie hij thans geloofde, dat zij eens stellig met hem herenigd zou worden in de al het lijfelijke overtreffende verrukkingen van een Huwelijk in den Geest.
        Hij zou direct naar zijn woonvertrekken weerkeren om zijn reisgoed in gereedheid te brengen. Eerst echter, bezwijkend voor een plotseling hevig verlangen naar gefrituurde tahoe, richtte hij zijn stappen naar de Binnenste Stad.

Kort na het middaguur op de derde dag volgend op het hoogstgewichtige besluit van de jonge onderzoeker tot verandering van de tot dan toe gevolgde koers van zijn loopbaan in den vleze, kwam een jong Chinees meisje in een groen legeruniform langs de wachtpost van de hoofdingang van de Hoofdstedelijke Fabriek van Katoenen Kleding Nummer 22 uit. Zij droeg een valies van olijfgroen kanvas, dat in witte karakters met de naam en het waarmerk der stad Tianjin was bedrukt.
        De wachter, die het meisje ongetwijfeld persoonlijk kende, verroerde geen vin toen zij voorbij kwam. Inderaad was haar voorkomen, terwijl zij ras verder liep door de straten en stegen der Oude Hoofdstad, niet van dien aard dat het ook maar de geringste nieuwsgierigheid van enig iemand zou opwekken.
        En het was goed, dat niemand aan de monter voorbijlopende maagd aandacht schonk, want bij elke sierlijke stap, bij elke angstige samentrekking der door de wind rood gewaaide wangen, beging zij een misdrijf en een daad van landverraad. De zaak was dat zij haar arbeidsplaats onder een vals voorwendsel van ziekte had verlaten; dat zij vervalste identiteitspapieren en aanbevelingsbrieven zowel in het Engels als in het Chinees bij zich droeg, welke afkomstig heetten te zijn van de hoogste Bureaus van een Ministerie; dat haar valies gevuld was met gefrituurde tahoe welke, gelijk bovengenoemde onechte bescheiden, langs wederrechtelijke weg tegen een ruïnerende prijs was verworven; dat zij voornemens was zich te begeven naar zeker adres, in het Vreemdelingenkwartier gelegen, om de inhoud van het valies aan een zekere buitenlandse geleerde te overhandigen; en dat zij in elk detail van deze onderneming slechts gehoorzaamde aan onweerstaanbaar heftige aansporingen, welke zij in dromen op vier achtereenvolgende nachten in volstrekt ongewijzigde vorm had ontvangen van Kwan Yin, de Godin der Barmhartigheid.
        Toen het meisje aankwam op het adres, waarheen zij aldus was geleid, was het haar welhaast een teleurstelling te ontdekken, dat zij zeer wel zonder haar zo duur gekochte, vervalste documenten had gekund. Het Vreemdelingenkwartier werd, naar thans bleek, dusdanig aan wanbestuur overgelaten dat haar zelfs niet verzocht werd zich te legitimeren, noch tussen straat en deur, noch tussen deur en trap, noch door de hele gang. De omgeving waar zij zich thans in bevond was echter zo onmogelijk identiek aan die, welke Kwan Yin haar had getoond, dat zij geen vrees gevoelde, noch welke andere aandoening ook, doch alle benodigde handelingen uitvoerde met de nonchalante trefzekerheid van iemand, voor wie het aardse leven reeds tot niet meer is geworden dan een onbelangrijke voenoot bij de Werkelijkheid.
        Toen zij bij het vertrek aankwam dat het haar aangewezen nummer droeg, bleek de deur ervan open te staan, en als door één machtige slag van een verschrikkelijke doodsklok, werd eens en voor al de wondere samenvloeiing van droom en daglicht verbroken. Het vertrek, zoals zij het aantrof, was leeg, kaal, en onbewoond. Vóór er een paar seconden voorbij waren was de ware aard van haar drie-dimensionele situatie tot haar doorgedrongen. De opdracht, haar door Kwan Yin verleend, zou nimmer worden vervuld; nooit zou zij de jonge buitenlandse onderzoeker weerzien; en zij was een misdadigster, die thans in doodsgevaar verkeerde.
       Zij wendde zich om en verliet haastig het gebouw langs dezelfde weg als waarlangs zij het was binnengekomen. Op straat begon zij onwillekeurig te wenen, en ofschoon thans in het gezicht van talloze landgenoten, deed zij geen poging de steeds sterker aanzwellende vloed van tranen en snikken tot stilstaan te brengen, als zij daartoe al in staat was geweest. Zij begon te rennen, het valies onder één arm vastgeklemd; terwijl zij zich in de richting van het centrum der Stad voortspoedde in een foltering van verdriet en paniek, had zij reeds geen duidelijke bestemming meer voor ogen.
        Kwam het door het Lot, dat juist op het ogenblik dat zij op een straat uitkwam die langs water liep, de bezwarende aard van de inhoud van het verlies haar opnieuw te binnen schoot? Met zekerheid is bekend en mag worden verhaald, dat het meisje, na enkele meters te zijn voortgegaan langs genoemde weg, plotseling het rennen staakte, en naast de onbeschutte waterkant staande, het valies in het zacht stromende blauw wierp. Luttele seconden later, gelijk talrijke ooggetuigen achteraf wisten te berichten, slaakte zij één lange kreet van opperste wanhoop, sprong zonder dralen het water in, en hield op de zienlijke wereld te bewonen.

Wat nu de jonge onderzoeker aangaat: spoedig na zijn vertrek uit het Middenrijk gelukte het hem aan een vooraanstaande Canadese instelling van hoger onderwijs de zeer begeerde Studiebeurs voor de Bosbouw te verkrijgen. Met fenomenale snelheid en gedegenheid maakte hij zich de leerstof eigen, zodat hem na nog geen drieëneenhalf jaar een lectoraat ten deel viel. Twee jaar nadien benoemde men hem tot Onderzoeksdirecteur van een uitgestrekt experimenteel bosreservaat in Brits Columbia. Onder zijn collega’s was hij vermaard, niet slechts om zijn verbluffende vakbekwaamheid, doch ook om zijn ongewone liefhebberijen, waaronder het lezen van Chinese boeken. Niet alleen deed hij met enige regelmaat vertalingen het licht zien van Chinese artikelen over Bosbouw en Ecologische Biologie; maar ook ging het gerucht, dat hij ontelbare passages uit de Klassiek-Chinese poëzie van buiten kende.
        Het behoeft wel geen betoog, dat het succes van de jonge onderzoeker met aanzienlijke stoffelijke beloning gepaard ging. Gelijktijdig met zijn eervolle betrekking in Brits Columbia, aanvaardde hij een fraaie, door bos omgeven woning, gelegen aan de rand van een klein meer dat deel uitmaakte van het landgoed. Onder degenen die de jonge onderzoeker kenden, heette het, dat ofschoon het oppervlak van het meer bezaaid was met oude planken, rondhouten en dergelijke varia meer, daterend van de recente schipbreuk van een zeilboot, de jonge onderzoeker uitdrukkelijk geweigerd had deze te verwijderen. Eveneens werd gezegd, dat hij er een zwak voor had, hoe bizar zulks ook moge klinken, om ’s zomers op bewolkte dagen in een roeibootje het meer op te gaan, en dat hij tijdens deze uitstapjes eventuele regen leek toe te juichen. Ja, er werd gezegd dat hij bij één gelegenheid in zijn bootje, omringd door wrakhout, midden op het meer was gebleven tijdens een krachtige regenbui, waarbij hij onverstoorbaar hardop bleef lezen uit een boek vol Chinese gedichten. Tegen de avond zou hij aan land zijn opgedoken in een zonderlinge toestand van kennelijke gelukzaligheid, waarin hij plotseling ettelijke niet geringe schenkingen aan liefdadigheidsinstellingen deed en een uitzonderlijk royaal testament, in de vorm van een onberispelijke cyclus Normgedichten in het Klassiek Chinees, opstelde, alvorens zich lijnrecht naar het ziekenhuis te begeven, lijdende aan hoge koorts en beginnende longontsteking, van welke hij echter tegen de ochtend reeds volledig hersteld bleek, zijnde naar eigen aanhoudend getuigen ‘door twee Dierbaren de gehele nacht bijgestaan’.
        Wat het uiteindelijke waarheidsgehalte van dergelijke beweringen ook moge zijn, wij kunnen niet anders dan aannemen, dat de jonge onderzoeker er inderdaad practijken van zulke of vergelijkbare aard op na hield. Noch zullen wij ons ernstig vergissen, indien wij de hypothese aannemen, welke door degenen die een intieme kennis bezaten van het privé-leven van de jonge onderzoeker onveranderlijk werd gehuldigd, dat deze ongewone voorkeuren – die immers wezen op een subtiele doch onmiskenbare aanleg tot psychische labiliteit tussen de trekken van zijn schijnbaar sterk en bewonderenswaardig karakter – wel degelijk in verband stonden met het feit, anderszins zo opmerkelijk in het geval van zulk een uitnemend successvolle jonge onderzoeker, dat hij het nimmer dienstig achtte te huwen.
        Opdat de lezer, nu het besluit van ons bescheiden relaas nadert, toch niet geheel verstoken blijve van de middelen om tot een redelijke mening te kunnen komen, zij nog vermeld, dat op zekere zonnige zaterdagochtend, vroeg in juni in het vijfendertigste jaar van de belichaamde tocht zijns geestes door hetgeen John Keats eens noemde “the Vale of Soul-making”, de jonge onderzoeker overleden werd aangetroffen door de bezorger van de plaatselijke zuivelhandel. Ten tijde van deze tragische ontdekking lag de jonge onderzoeker, over het dolboord van zijn roeibootje uitgestrekt, op het meer vlak bij zijn woning. Zijn bootje zat vast op een onbeweeglijke massa gezonken hout, zodat het vlot bleef drijven ofschoon hoofd en armen van de jonge onderzoeker reeds lang noodlottig onder de waterspiegel waren komen te liggen. Op grond van de bijzonderheid, dat hij in het bootje een kussen, enkele flinke dekens, een muskietennet, en een halfvolle thermosfles met koffie bij zich had, leek het vermoeden gerechtvaardigd, dat hij enige uren van de voorafgaande nacht, ja wellicht de gehele nacht, op het water had doorgebracht. Volgens het bericht van de melkbezorger droeg de jonge onderzoeker, de vreselijke omstandigheden zijns doods ten spijt, op zijn gelaat een onmiskenbare uitdrukking van buitengewone tevredenheid, ja van vreugde.
        Toch was wel het meest eigenaardige, dat tussen de plooien van de dekens, in de nabijheid van een kleine zaklantaarn, twee boeken – één in het Chinees, één in het Engels – naast elkaar open lagen. Gelijk een later ingesteld onderzoek uitwees, bevatten de aldus openliggende pagina’s een gedicht van Li Shangyin en de vertaling ervan in het Engels. In de marge boven de Engelse versie had de jonge onderzoeker duidelijk in zijn eigen handschrift de Oud-Chinese spreuk geschreven: ‘Al wie des uchtends de Weg heeft gezien, sterft dezelfde avond zonder spijt’.
        Het gedicht, in volledige vertaling, luidde, luidt, en zal in eeuwigheid blijven luiden als volgt:

De Zevende Nacht kwam zij: ter bestemder ure.
Sindsdien blijft in ’t binnenvertrek het gordijn omlaag.
De maan die ons uur gadesloeg is al tanende.
Het koraal werd in ’t ijzeren net gevangen, maar kon nog niet geoogst.
Had ik een toverspreuk om dát uur te bestendigen!
Zal ik op bewierookt papier mijn verlangen opdragen?
De Geschiedenis van Keizer Wu getuigt eenduidig:
Zeg nooit dat de mens dit niet kan ervaren.