Brief bio sketch

Lloyd Haft (1946- ) was born in Sheboygan, Wisconsin USA and lived as a boy in Wisconsin, Louisiana and Kansas. In 1968 he graduated from Harvard College and went to Leiden, The Netherlands for graduate study in Chinese (M. A. 1973, Ph. D. 1981). From 1973 to 2004 he taught Chinese language and literature, mostly poetry, at Leiden. His sinological publications include Pien Chih-lin: A Study in Modern Chinese Poetry (1983/2011; published in Chinese translation as 发现卞之琳: 一位西方学者的探索之旅 in 2010) and Zhou Mengdie’s Poetry of Consciousness (2006). His most recent book, a liberal modern Dutch reading of Laozi's Daode jing, was published as Lau-tze's vele wegen by Synthese in September 2017.



He has translated extensively into English from the Dutch of Herman Gorter and Willem Hussem, and from the Chinese of various poets including Lo Fu, Yang Lingye, Bian Zhilin and Zhou Mengdie.



Since the 1980s he has also been active as a poet writing in Dutch and English. He was awarded the Jan Campert Prize for his 1993 bilingual volume Atlantis and the Ida Gerhardt Prize for his 2003 Dutch free-verse readings of the Psalms (republished by Uitgeverij Vesuvius in 2011). His newer poems are published (some republished) on this blog.



After early retirement in 2004, for a number of years Lloyd Haft spent much of his time in Taiwan with his wife Katie Su. In addition to writing and translating, his interests include Song-dynasty philosophy and taiji quan. He sings in the choir of a Roman Catholic church of the Eastern Rite in The Hague.



Thursday, June 23, 2011

ZUIVEL VAN VERRE (verhaal: deel 2 van 3)


(uit Optekeningen over het Uitzonderlijke uit een Sinologisch Studeervertrek 漢齋誌異 van Lloyd Haft)

Op zekere late novemberavond, onder een zeer koude, droge sterrenhemel, toen hij zijn karige avondmaal had beëindigd, zich gebaad had en, zoals hij gewoon was te doen, zich in kamerjas en pantoffels had gestoken, zette de jonge onderzoeker zich in zijn fauteuil neer en ontstak de lamp, voornemens een begin te maken aan het opnieuw lezen van een wel uitzonderlijk duister boekwerk, door drie zijner leermeesters geschreven, dat over morfo-fonetische verschijnselen in het dialect van Tianjin handelde. Hij leunde achterover, overtuigde er zich van dat aantekeningenpapier, rode en blauwe pennen, systeemkaarten en woordenboeken alle in orde waren, en haalde werktuigelijk een sigaar te voorschijn uit het vertrouwde doosje met het vrolijke rode etiket waarop curieuze Nederduitse teksten stonden gedrukt. Terwijl hij de sigaar opstak en toekeek hoe de rook, gelijk de warrelende lijnen van een meesterwerk van jade-snijkunst uit de Oudheid, hoog opkringelde tot in de lampekap, ondervond hij plots een zonderlinge gewaarwording van stilte en van ruimte. De belendende woningen, welke gewoonlijk zo hoorbaar aanwezig waren, leken opeens van menselijke bewoning ontdaan. Ergens uit een ver gelegen straat weerklonk nog vaag het gerammel van hoeven en wielen, wat de stilte van de nadere omgeving nog machtiger leek te doen uitkomen.
        De jonge onderzoeker gevoelde bij zichzelf een stemming opkomen, die eerder beschouwelijk dan studieus moest worden genoemd. Hij leunde andermaal achterover en nam een lange trek aan zijn sigaar, waarbij hij genoot van het kernmerkende sissen waarmde de gloeiende punt zich scherp geurend door nóg een millimeterbreedte van het vermaarde Sumatra-dekblad heenbrandde. De ongewende concentratie op een onbeduidendheid als de punt van een sigaar werkte ongetwijfeld verstorend op de spiercoördinatie van de jonge onderzoeker; of anders begonnen wellicht de lange weken, gedurende welke zijn kalkverbruik beneden het normale was gebleven, ernstig hun invloed op zijn tonus te doen gelden. Hoe het ook zij, of het nu door het Lot kwam, door het Karma, dan wel door een plotseling overstelpend aanzwellen van hetgeen men wel heeft genoemd de Psycho-pathologie van het Dagelijks Leven – hij liet de sigaar vallen.
        Uiteraard moest er nu overwijld worden ingegrepen: en zonder dralen bewoog de jonge onderzoeker zich op handen en voeten over de vloer, vrijwel onmiddellijk de plek bespeurend, waar de brandende sigaar was komen te liggen. De plaats, een punt op de linoleum vloer dat op nagenoeg gelijke afstand lag verwijderd van de linker voorpoot van de fauteuil en van de voet van de staande lamp, verdiende op zich geen langdurige aandacht. Edoch het geval wilde dat het ogenblik, waarin de sigaar werd hervonden, rijkelijk met ernst was beladen – daar de blik van de jonge onderzoeker, terwijl hij bukte om zijn rookwaar weder op te pakken, viel op een hoekje van een dun boekwerk dat bijkans voor het gezicht verborgen, nochtans zichtbaar onder de fauteuil uit stak.
        Had het toeval kunnen zijn dat het boek, geruime tijd verloren en door het bewustzijn vergeten, een zeldzame uitgave was van een keuze uit de dichterlijke werken van R. M. Rilke?
        In de jaren die zouden volgen zou de jonge onderzoeker nog meer dan voldoende gelegenheid hebben de waarlijk occulte aaneenschakeling van gebeurtenissen te bepeinzen die hem dit bescheiden boekje weer in handen had gebracht. Voorlopig was hij echter, willen wij de waarheid vermelden, hoofdzakelijk verrukt om de aanleiding die het gaf afgeleid te worden van de analytische inspanningen die zijn eerder belegd plan voor de avond had ingehouden. Binnen luttele seconden zat hij weer behaaglijk in zijn fauteuil, sereen aan zijn sigaar trekkend, en hart en geest open stellend voor de ontroerende cadans en weerklank van de dichtregels, die op zulk miraculeuze wijze zijn voortgebracht door de onsterfelijke dichter der Sonnette an Orpheus.
        Aldus ving hij de avond aan, aldus zette hij deze voort; amper was de eerste sigaar ten einde of hij greep naar een tweede. De gedichten schenen in hem een toestand weer tot leven te wekken, die reeds lang uit zijn herinnering was verdwenen – een leven, een wereld, een gebied waarin de Initiële Dentalen van het Noordelijk Mandarijns niet bestonden, en waarin de Neutrale Toon verrukkelijk was ontkoppeld van de oogmerken van zijn hart. Aldus verliep het voor een wijle, en alles leek goed.
        Doch toen kwam het ogenblik – het ogenblik waarin hij het blad omsloeg en weer vóór zich zag het “Du, der ichs nicht sage, dass ich bei Nacht weinend liege...” En hij begon eenvoudigweg, zonder ook door de geringste trilling van bewuste aandoening gewaarschuwd te zijn, te wenen. Hij weende vrijelijk en zonder schaamte, omdat hij wist dat hij in het hart der Oude Stad alleen was, en dat zijn al dan niet wenen, evenmin als zijn al dan niet doen of denken van wat dan ook, ooit bekend zou zijn of bekend zou worden aan enig menselijk waarnemer. En wenend las hij de regels van het gedicht niet in volgorde, doch maakte meteen de sprong naar de laatste drie regels, onderaan de vergeelde pagina:

Ach, in den Armen hab ich sie alle verloren,
du nur, du wirst immer wieder geboren:
weil ich niemals dich anhielt, halt ich dich fest.

Hij las de regels snel in stilte door en probeerde ze vervolgens, door zijn tranen heen en ondanks de hortende, hoestende ademhaling van zijn met nicotine gedrogeerd, om kalk smachtend organisme, hardop te lezen.
        Het resultaat was van dien aard, dat hij onmiddellijk rechtop moest gaan zitten. Als een tweede, warmere, waarachtiger huid hing om zijn lichaam een tintelende aura, die met haar aanwezigheid overbracht, zoals een geleerde Professor in de Poëzie het heeft genoemd, ‘the experience of mixed exaltation and horror.’ De jonge onderzoeker ondervond thans de duidelijke gewaarwording te zweven aan de rand van een wonderlijke, diepe, boeiende maalstroom van het ongewone. Want in die luttele seconden, gedurende welke hij gepoogd had hoorbare uiting te geven aan de hartverscheurende woorden van de dichter, was het niet zijn eigen stem geweest, die sprak. Van hem waren geweest de lippen, de tong, de stembanden – doch niet de toon, het timbre, de eigenaardig schelle muziek van elke klinker.
        En hij wist van wie deze wél waren geweest. Waar zijn brein gedurende zovele weken in de droge roes van zijn zonderlinge studieën het ondraaglijke verlangen zijns harten had proberen te ontvluchten, scheen het nu met één slag alle pretentie van zich af te werpen en in een plotseling paroxysme van opluchting toe te geven, dat zijn ware oogmerk, tijdens de vele weken die zijn onderzoekingen naar de Mandarijnse medeklinkers in beslag hadden genomen, was geweest daarin een affiniteit te vinden, een auditieve draad langs welke hij verbonden zou blijven met het meisje dat hij zo kortstondig in de melksalon had ontmoet. Het kwam er op neer dat hij onbewust had gehoopt, dat indien hij zich maar voldoende zou dompelen in het taaleigen, zoals dat door geheel haar ras was overgeleverd en instandgehouden, en dat de psychische afzetting vormde van de oceaan van genen waaraan haar hart en ledematen waren ontsprongen – dat hij dan haar naam zou kunnen raden! Was dit wellicht de uiteindelijke zin, de tot nog toe verborgen gebleven motivatie geweest van zijn gehele carrière in de Sinologie – de Naam van de Geliefde te leren uitspreken ?
        In zijn schedel brandde het. Zo ooit de tijd voor verder onderzoek gekomen was – voor ingespannen, uitputtend, rigoreus, nuchter onderzoek – dan was het nu. Maar met welk instrument? Bij zijn komst naar China had hij er niet aan gedacht The White Goddess mede te brengen, of de werken van de hem zo dierbare Dr Guirdham, of van Professor Nelli...
        Voordat hij zich in allerhande overwegingen kon verliezen, merkte hij dat hij wederom taalklanken aan het uitspreken was; opnieuw was het het meisje, dat door hem sprak.
        ‘Jij wilt zeer graag onmiddellijk je studies ter zijde leggen’, zei de stem, ‘en naar bed gaan. Jij bent zeer moe. Jij wilt onmiddellijk naar bed gaan. Jij wilt je sigaar voorzichtig in de asbak leggen, je schoenen uittrekken, de lamp uitdoen, en naar bed gaan. Nu’.
        Zich met de geheimzinnige trefzekerheid van een slaapwandelaar bewegend, gehoorzaamde hij. Door al zijn bewegingen heen gevoelde hij alsnog de aanwezigheid van de aura, zo vreemd doch zo bekend, die de vormen van zijn eigen lichaam overschaduwde. Toen alle andere voorbereidingen waren getroffen en hij in het donker naast zijn bed stond, aarzelde hij. Wat diende hij aan te vangen met het kleine aantekeningenblok dat hij te allen tijde op het nachtkastje in gereedheid bewaarde? Elk der bladzijden ervan had hij door een lijn in een bovenste en een onderste helft verdeeld; de twee helften had hij gemerkt respectievelijk met een D en een T, opdat, wanneer hem tijdens de nacht een droom ten deel mocht vallen die hem een nieuw fragment van inzicht in de historisch-filologische structuur van een Mandarijns woord zou schenken, hij de bijzonderheden in de desbetreffende rij zou kunnen vastleggen. Zou het wel verstandig zijn, op zulk een psychisch beladen nacht als deze, het kleine electrische lampje aan te laten staan dat onophoudelijk het opengeslagen aantekeningenblok verlichtte?
        ‘Doe het uit’, zei de innerlijke stem. ‘Inderdaad zal er vanavond sprake zijn van iets, waarvan schriftelijke aantekening zal dienen bewaard te worden, doch ik zal jouw hand leiden bij het schrijven er van. In elk geval zullen je keurig van elkander gescheiden halve pagina’s van geen betekenis zijn. Op het Plan van waar ik tot jou spreek, bestaat de deling door Twee niet. Ik zal je iets onderwijzen omtrent de deling door Drie – doch haast je! Doe het licht uit en ga in bed liggen!’
        Doch hij was reeds onderweg. De toon van dringende vertrouwelijkheid, waarop zij hem thans aansprak, deed hem een aangename rilling door de leden varen. Geheel en al verdwenen waren de verheven aanspreekvormen, waaraan het Mandarijns zo rijk is. Zij sprak hem thans toe als iemand, die hem van het begin van zijn leven af had gekend.
        Het duurde geen ogenblik, of hij had de sprei omgeslagen en het nachtlichtje gedoofd. Terstond werd hij, terwijl hij in het duister het bed in kroop, verbijsterd en verblind door het besef van een overweldigend licht dat, kennelijk in een twee meter hoge ovale vorm geconcentreerd, boven zijn hoofdkussen scheen te zweven. Tegelijkertijd leek de zintuigelijk voelbare aura, die zijn huid had omgeven, op gewelddadige wijze te worden weggerukt, zodat hij huiverend van een plots opkomende kilte achterbleef.
        Toen hij naast zich de lichtvorm zag, had hij instinctief zijn ogen gesloten. Maar na het verstrijken van enkele seconden werd hij door zijn gesloten oogleden een zekere afneming van intensiteit gewaar. Zijn ogen half openend, ontwaarde hij naast zich, in vorm gemanifesteerd, het meisje.
        Zij gloeide. Haar lang, uitmuntend slank lichaam werd omhuld door weelderige, elegant gedrapeerde stof, stralend groen met zwarte vlekken, gelijkend op zijde doch heller dan de felst glanzende zijde. Als wilden zij deze waterval van lenig kronkelende weelde in heerlijkheid bekronen, rezen haar schouders onbedekt daarboven uit, stralend in een trillende schittering. Haar gelaat was gevat in een vlechtwerk van zo indringende trillingen dat de jonge onderzoeker niet durfde kijken, doch zijn ogen als in zelfverdediging sloot. Nochtans zag hij, als het ware achter zijn gesloten oogleden, haar gezicht met een bovennatuurlijke perfectie nagebeeld, zoals het in de melksalon was geweest, doch tevens met iets er in van een vrouw van ontelbare jaren, en iets van een nog ongeboren kind, zodat hem duidelijk werd, dat hij haar thans in haar Essentiële Gedaante zag, van dewelke iedere naar tijdsbepaling beperkte concretisering slechts een povere doorsnede ware geweest.
        Na een ogenblik opende hij, terwijl hij zijn hoofd licht gebogen hield, zijn ogen. Onverwijld viel zijn blik op de hellingslijn van haar naakte schouders, en het vuur der nood, dat sedert de Zondeval in alle vlees verblijft, vervulde hem zeer. Kort gezegd: als een dier des velds sprong hij op haar af.
        In het daarop volgende ogenblik ondervond hij een sensatie, zoals bij het plotseling voorover vallen op een hardhouten vloer. Een ontegenzeggelijk ruimtelijke barrière scheen zijn voortgang tegen te houden; zijn hoofd schokte terug als na een botsing met een plat, wijd oppervlak. Terstond hield hij stil en dorst niet vóór zich kijken.
        ‘Neen!’ riep de stem van het meisje. ‘Bij het verkrijgen van toestemming om jou in den geest te bezoeken, waardoor ik zware schulden heb opgelopen, die tijdens de gehele resterende duur van deze incarnatie zullen moeten worden afgelost, stond mij meer voor ogen dan slechts het tijdelijk verzadigen der overgeërfde hunkeringen van jouw Vier Ledematen en Zes Organen!’
        ‘Maar – ’ en terwijl hij het woord uitsprak, keerde reeds zijn eigen stem terug – ‘maar ik houd van je!’
        Hierop kon zijn gesprekspartner een uiterst zacht, gracieus lachje niet inhouden. ‘Waarom’, zei zij, ‘o waarom moeten jullie Westerlingen de naam der Liefde profaneren met voortdurende verzekeringen en liefdesverklaringen als vrijbrief tot datgene, wat van de wereld geen vrijbrief behoeft, doch het Leven zelf is!’
        Hij stak bij wijze van protest zijn hand op en had haar gaarne recht in het gezicht gekeken, doch wederom was het licht hem te sterk.
        ‘Jammerlijk genoeg’, vervolgde zij, ‘ontbreekt mij de tijd uitvoerig in te gaan op het systeem der karmisch voortgestuwde, phylogenetisch voorbestemde, feitelijk onwillekeurige verrichtingen, waaraan jullie op zulk wellustige en onnauwkeurige wijze de naam “seks” geven. Wel is waar dient de inspannende vereniging van man en vrouw geenszins te worden versmaad, al ware het reeds om haar waarde als een profylactisch middel, dat iemands Begeertevoertuig er van kan weerhouden zich in wanhoop af te zonderen van het Centrum zijns Kenvermogens met tot gevolg een tragische wedergeboorte in het Asura-Rijk der Hongerende Geesten. Edoch, je moet weten dat er vormen en wijzen van paring bestaan, die door de grove musculatuur volstrekt onopgemerkt blijven, terwijl zij het Bovenbewustzijn onuitwisbaar bevruchten; en in deze zal het mijn vreugdevolle opdracht zijn om jou, wanneer alle daartoe benodigde Oorzaken volgroeid zullen zijn, in te wijden. Gesproken vanuit het oogpunt van onze huidige, vleselijke vormen is het echter zo, dat wij na vanavond elkander nooit weder zullen zien’.
       Hij slaakte een kreet van ontsteltenis, doch zij vervolgde onberoerd: ‘Dusdanig zijn nu eenmaal de voorwaarden, waaronder mij vanavond vergund werd je te bezoeken, en daarbij zonder letsel de gevaarvolle Astrale Paden te betreden. Voor elk Bijzonder Vermogen dat verleend wordt, moet een Offer des Harten worden gebracht’. Bij deze laatste woorden scheen haar stem nauwelijks merkbaar te stokken. Zij hield een ogenblik stil, zwaar ademend. Toen zij het spreken hervatte, was haar spreektoon zachter, minder gestreng. ‘Voor het ogenblik zij het je voldoende te weten, Geleerde uit het Westen, dat, indien het je toeschijnt dat mijn leden gloeien met een warmte, welker begeerlijkheid die van alle waarneembare vormen overtreft, zulks slechts de weerschijn is van het Onlesbare Vuur van je eigen Ongeboren Geest!’
        Diep door haar woorden aangedaan gevoelde hij, hoe in een duizelingwekkende verwarring van lust, zielsverrukking en aanzwellend verdriet, hem tranen in de ogen sprongen.
        ‘Stil!’ zei zij kortaf, wederom zeer de meerdere. ‘Later zullen wij beiden voldoende wenen; er is thans geen tijd voor. Ik ben gekomen, noch om te bevredigen, noch om te verwarren, doch om te onderwijzen. Ieder ogenblik kan ik voorgoed worden teruggeroepen, en er is nog veel dat ik je mede moet delen. Doe nu, wat ik zeg: kom naast mij in je bed liggen. Vooreerst moet je mij op generlei wijze aanraken, noch naar me kijken. Wanneer jij volledig ontspannen zult zijn, zal ik je datgene bijbrengen wat nodig is. Kom!’
        Hij haaste zich te gehoorzamen.

In zijn eerst volgende ogenblik van bewustheid had hij het besef zo diep te hebben geslapen, als sinds de eerste dagen van zijn leven nooit meer het geval was geweest. Iedere cel van zijn lichaam leek ledig, doch tegelijk vol van een wonderlijke veerkracht. Hij opende zijn ogen en werd zich van zijn omgeving bewust. Daar was hij weer, in zijn vertrouwde slaapvertrek in de Oude Hoofdstad. Ofschoon er geen lamp brandde, was de ruimte om hem heen vervuld van een diffuus, zilveren schijnsel.
       Toen herinnerde hij zich, dat hij niet alleen was. Hij wendde zich om en keek naast zich, en toen hij het vreemde, doch tevens zo innig bekende gelaat van het Chinese meisje zag, was het alsof hij fysiek omhoog werd geheven en in een boog door de lucht gedreven tot in haar wachtende armen, die reeds omhoog reikten om hem te omhelzen – doch hij omhelsde haar niet, want hij werd overrompeld door een zonderlinge ervaring van uitdijende ruimte, zodanig, dat hij juist terwijl hij wanhopig naar haar ellebogen en schouders en heupen greep, aan het drijven en glijden scheen te geraken langs haar lichaam, haar steeds dichter naderend, doch van haar gescheiden door een glad, veerkrachtig kussen, dat louter bestond uit wonderlijk lichtende ruimte. Onderwijl werd hij zoetjes aan gewaar, dat zij haar eigen bewegingen, en daarmede zijn aandacht, hoe langer hoe meer naar zijn rechter hand toe deed vloeien. Uiteindelijk begrijpend nam hij, nog altijd zonder gewicht zwevend boven haar lichaam dat ontastbaar bleef, de ball-point op die naast hem op het nachtkastje lag.
        ‘Ja!’ zei zij hijgend, ‘dát is het! En nu opschrijven, opschrijven! Zorg dat het allemaal op papier komt! Dat ik je dit dicteer, zal de opperste daad van mijn leven zijn, en elk woord er van is voor jou alleen bedoeld !’
        Met zijn pen in de aanslag berustte de jonge onderzoeker zonder tegenspraak in wat het lot hem ook mocht brengen. Wel is waar had hij gehoord en gelezen aangaande Ontvangen Boodschappen, doch nooit zou hij zich hebben vermeten te denken, dat hij in aanmerking zou komen zulks deelachtig te worden, en dan nog uit de handen van zulk een geheimvolle Bezoekster. Thans begon echter zijn pen te bewegen...
        ‘Ten eerste – ’ fluisterde het meisje schor, terwijl hij begon te krabbelen, ‘ – moet je meer melk drinken! Eet gedurende drie weken iedere dag tahoe! Door jouw hoogst tegennatuurlijke leefwijze zijn de reserves van jouw Vitale Beginsel reeds in schrikbarende mate aangesproken. Ja, het gevaar dreigt, dat het Zilveren Koord spoedig wordt losgemaakt. Deze diagnose heb ik van Verderaf kunnen stellen; sla acht op mijn waarschuwing!’
        Terwijl hij nog koortsachtig bezig was de sleutelwoorden op het aantekeningenblok over te nemen, vervolgde zij: ‘Nu dan! Als je onsterfelijke gedichten wilt schrijven, zal ik je het geheim vertellen, zoals mijn vereerde voorouder, Li Shangyin, het mij tijdens een droom heeft onthuld. Het is dit: deling door Drie! Immer, immer, immer door Drie! In geval van een gevoel, drie verschillende ritmen; in geval van een bos, drie verschillende bomen – begrijp je?’
        Zijn pen haperde. Het was van cruciaal belang dat zij haar bedoeling expliciet maakte. Het leek zeer wel mogelijk, dat zij hem thans in direct contact wilde brengen met nog nauwelijks bekende waarheden uit de diepten van het Collectieve Onbewuste. Zij stond op het punt hem een formule aan te reiken, waarin de essentie van Li Shangyins schrijftechniek was vervat. Kon hij er in slagen deze inzichten onverlet mee terug te nemen naar de Wereld van het Daglicht, dan zou hij de meest fabelachtige gedichten van de twintigste eeuw kunnen schrijven. Hij kon een tweede Li Shangyin worden!
        ‘Leg het alsjeblieft uit’, zei hij. ‘Wat bedoel je met “deling” door Drie?’
        Ik bedoel dit: begin met drie horizontale rijen. Teken dwars daar doorheen drie staande kolommen. Kies drie woorden, die verband houden met de oorspronkelijke inspiratie. Zet elk woord neer in één van de negen vakken. Vul dan elk woord met twee andere woorden aan, tot het hele vierkant bezet is, en – ’
        ‘Maar – maar hoe kies je de drie woorden om te beginnen?’ Hij was buiten zichzelf van verlangen een werkbaar systeem te kunnen afleiden...
        Zie je ’t nog niet?’ Zij hijgde, en haar zienbare vorm onder hem woelde en kronkelde van ongeduld. ‘Wacht! Ik zal één gedicht in z’n geheel dicteren, dan kun je zien hoe het werkt. Schrijf het nu alleen op; je kunt het later bestuderen!’
        Aldus begon hij, met vingers die trilden van ontroering om de weergaloze openbaring die hem werd beschoren, het gedicht zoals zij het dicteerde neer te schrijven. Merkwaardigerwijs lieten de woorden geen bewuste indruk in zijn geest achter. Handelend als een automaat, vertrouwde hij zijn vingers de taak toe onbewust de stroom van half gefluisterd, half gezongen geluid vast te leggen, die ononderbroken leek te vloeien uit de stem zijner Bezoekster.
        Tenslotte, toen het blad geheel beschreven was, hield zij op met dicteren. In de verwachting dat er nog meer zou komen sloeg hij snel het blok op een nieuwe pagina open en wachtte af. Maar er volgde geen geluid meer. Na een wijle keek hij haar vragend aan.
        Wat hij zag, ontstelde hem. Haar vorm scheen minder van licht vervuld, minder stoffelijk. Haar gelaat, dat nog slechts seconden geleden gegloeid had van de drang tot verkondiging, leek vaal, met een zweem van asgrauw, en haar gestalte scheen, langzaam doch onmiskenbaar, ruimtelijk van hem weg te zinken.
        Toen zij sprak, was haar stem zwak: ‘Vergeet nooit deze boodschap, die ik je heb gebracht vanuit een Liefde, die dieper wortelt dan de begoochelingen van de Tijd!’
        ‘Wacht!’ riep hij. ‘Ik moet je weer zien!’
        ‘Het is onmogelijk. Nu reeds ben ik mijn Karma te buiten gegaan, door deze ene gelegenheid te verkrijgen. Binnen de boorden van de stroom van Oorzakelijkheid, waarin mijn huidige Fysieke en Etherische lichamen gevangen zijn, is het duidelijk dat ik geen hoop mag koesteren jouw pad een tweede maal te kruisen. Ik dien mijn arbeid bij de Bewerkingsfabriek voor Katoenen Kledingsstukken voort te zeten, om de opleiding van mijn broer te bekostigen en om mijn Bejaarde Ouders te onderhouden. Weet, dat ik in de gebeden die ik in het verborgene tot Kwan Yin richt, jou steeds zal gedenken’.
        ‘Wat bedoel je?’ Hij wist zich geen raad. ‘Er moet een manier zijn. Kan ik je schrijven ?’ Zelfs terwijl hij sprak, zonk zij verder weg, en – wat nog veel onheilspellender was – zij leek nu wederom op haar hoofd de groene legerpet te dragen. De zoëven nog helder groene patronen van haar kleed vertoonden thans geen verschil meer met het vlakke legergroen waarin hij haar voor het eerst gekleed had gezien. Hij wist, dat zij thans met spoed aan het verdwijnen was.
        ‘Hoe kan ik me met je in verbinding stellen?’ schreeuwde hij, met een plotselinge hevigheid die zijn stembanden deed branden – ‘Hoe heet je?’
        De rest van zijn leven zou draaien om zijn wanhopig trachten met gewisheid haar antwoord te reconstrueren – immers, al antwoordende verdween zij uit het zicht, en al verdwijnend drong haar stem steeds onduidelijker door. Aangaande haar eerste vijf woorden kon geen twijfel bestaan. Zij waren: ‘In het Astrale, of Symbolische...’ Maar wat was er na gekomen? De klanken, uitgesproken terwijl zij uiteindelijk in onzichtbaarheid oploste, hadden eenvoudigweg te zwak geklonken om met precisie te worden herinnerd. De jonge onderzoeker geloofde, doch kon er niet zeker van zijn, dat zij tot driemaal toe dezelfde twee-lettergrepige uitdrukking had geuit. Van die twee lettergrepen, was hij er zeker van dat de klinkers respectievelijk U en O waren; ook eindigde de tweede syllabe onbetwistbaar op –NG.
        Maar was de U voorafgegaan door een W of een B? En was de medeklinker, voorafgaand aan de O, een D of een T?
        Binnen enkele minuten na haar verdwijning, was hij rechtop gaan zitten en had hij de zaak aan een voorlopige analyse onderworpen; hij had in fonetische transcriptie de drie mogelijke uitdrukkingen opgeschreven welke, naar zijn mening, driemaal herhaald, de laatste boodschap konden vormen die hij ooit van haar lippen zou ontvangen. Het waren:

(1)   bu dong, hetgeen betekent ‘(Ik) begrijp niet (wat je zegt)’;
(2)   bu tong, ‘(Jij) kunt geen verbinding (meer met mij) tot stand brengen’; en
(3)   wutong, zijnde de Mandarijnse benaming voor de wutong of koningsplataan, een dikwijls voorkomend beeld in de Klassieke Poëzie.

Het merkwaardige zilveren licht van de visionaire atmosfeer was thans vervangen door het loodgrijze schijnsel van de vroege dageraad. Plotseling gevoelde de jonge onderzoeker zich terneergeslagen door een allesverzwelgende golf van uitputting. Tè vermoeid zelfs om een blik te werpen op het gedicht dat hij van het meisje had ontvangen, zakte hij neder op de overhoop gehaalde, dooreengewoelde lakens van zijn koude bed en verzonk, na drie of vier reusachtige, onwillekeurige huiveringen van overspanning, verdriet, en paradoxaal genoeg, onmiskenbare bevrediging, al spoedig in een welhaast comateuze slaap.

(wordt vervolgd...)