Brief bio sketch

Lloyd Haft (1946- ) was born in Sheboygan, Wisconsin USA and lived as a boy in Wisconsin, Louisiana and Kansas. In 1968 he graduated from Harvard College and went to Leiden, The Netherlands for graduate study in Chinese (M. A. 1973, Ph. D. 1981). From 1973 to 2004 he taught Chinese language and literature, mostly poetry, at Leiden. His sinological publications include Pien Chih-lin: A Study in Modern Chinese Poetry (1983/2011; published in Chinese translation as 发现卞之琳: 一位西方学者的探索之旅 in 2010) and Zhou Mengdie’s Poetry of Consciousness (2006).



He has translated extensively into English from the Dutch of Herman Gorter and Willem Hussem, and from the Chinese of various poets including Lo Fu, Yang Lingye, Bian Zhilin and Zhou Mengdie.



Since the 1980s he has also been active as a poet writing in Dutch and English. He was awarded the Jan Campert Prize for his 1993 bilingual volume Atlantis and the Ida Gerhardt Prize for his 2003 Dutch free-verse readings of the Psalms (republished by Uitgeverij Vesuvius in 2011). His most recent book of poems (in Dutch) is Deze poelen, deze geest (2008). His newer poems are published (some republished) on this blog.



After early retirement in 2004, for a number of years Lloyd Haft spent much of his time in Taiwan with his wife Katie Su. In addition to writing and translating, his interests include Song-dynasty philosophy and taiji quan. He sings in the choir of a Roman Catholic church of the Eastern Rite in The Hague.



Friday, September 23, 2011

Inleiding bij gedichten: Nieuwe Testament

‘Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en tot in eeuwigheid’ – zo lezen wij in hoofdstuk 13, vers 8 van de lang aan Paulus toegeschreven Brief aan de Hebreeën. Toch was de Christusbeleving van Paulus zelf allesbehalve ‘dezelfde tot in eeuwigheid’. Als orthodoxe Jood, behorende tot de rechtzinnige groepering der Farizeeërs, was hij oorspronkelijk juist fel tegen alles wat naar het pas opkomende christendom zweemde. In het Boek der Handelingen (hoofdstukken 7-9) lezen wij hoe hij vooraan liep bij het vervolgen van christenen. Dit alles veranderde op slag toen hij (volgens Handelingen 9:3 e.v.) op de weg naar Damascus werd overvallen door de ervaring van een ‘licht’ en een manende stem, die van Christus zouden zijn. Hij liet zich dopen, ging zelf prediken, en werd uiteindelijk ‘de Apostel’ wiens brieven voor de christelijke religie minstens even bepalend zijn geweest als de woorden en daden van Jezus zelf, zoals deze in de vier Evangeliën hun traditionele vormgeving hebben gevonden.
Volgens de Brief aan de Hebreeën (5:8-10) kende ook het leven van Jezus een ontwikkelingsproces: ‘zo heeft Hij, hoewel Hij de Zoon was, de gehoorzaamheid geleerd uit hetgeen Hij heeft geleden.’ Pas ‘toen Hij het einde had bereikt, is Hij voor allen die Hem gehoorzamen, een oorzaak van eeuwig heil geworden, door God aangesproken als hogepriester [...].’
        Paulus heeft Jezus nooit ‘in de dagen van zijn vlees’ meegemaakt. Daarna wel, niet alleen als een innerlijke realiteit (‘niet meer mijn ik, maar Christus leeft in mij’ – Galaten 2:20) maar ook in de realiteit van de gemeente. Juist van dit laatste aspect – de gemeenschapsband – maakte hij zich een uitgesproken lichamelijke voorstelling, die in sommige vertalingen regelrecht ‘vleselijk’ overkomt. In verscheidene passages noemt hij de gemeenschap ‘het lichaam van Christus,’ waarvan de individuele christenen ‘leden’ zijn – in Efeziërs 5:28-33 volgens de Statenvertaling zelfs ‘leden Zijns lichaams, van Zijn vlees en van Zijne beenderen.’ De woorden ‘en die twee zullen tot één vlees zijn,’ die in Genesis 2:24 op de verbintenis van echtgenoten sloegen, haalt hij in Efeziërs 5:31-32 aan met de uitleg dat dit ‘grote geheimenis’ volgens hem van toepassing is op de relatie tussen Christus en de gemeente.
        Hiermee heeft Paulus een andere definitie van Christus’ ‘lichaam’ gehanteerd dan wat tijdens het leven van Jezus gebruikelijk was geweest. Maar de nieuwe, corporate-definite liet zich zeer wel rijmen met verschillende uitspraken die Jezus volgens de Evangeliën over zichzelf had gedaan. Wij kunnen denken aan Matteüs 18:20, ‘want waar twee of drie vergaderd zijn in mijn naam, daar ben Ik in hun midden,’ of aan Johannes 17:20-23, waarin Jezus tot God de Vader bidt ‘opdat zij allen één zijn [...]’ en ‘[...] dat ook zij in Ons zijn.’ Of aan de zinsnede tijdens het Laatste Avondmaal (waarin velen door de eeuwen heen de ‘instelling’ van de Heilige Communie hebben gezien) waarmee Jezus het gebroken brood dat voor zijn volgelingen bestemd is, zijn eigen ‘lichaam’ noemt.
        Volgens Paulus vindt ook in het nieuwe gemeenschapslichaam van Christus groei, dus verandering plaats. Volgens Kolossenzen 2:19 is Christus het hoofd, ‘waaruit het gehele lichaam, door pezen en banden ondersteund en samengehouden, zijn goddelijke wasdom ontvangt.’ Naar Efeziërs 4:16 is er een ‘groei des lichaams, om zichzelf op te bouwen in liefde.’
        Wat Paulus blijkbaar niet doet, is een ononderbroken samenhang zien, een naadloze overgang, tussen het individuele lichaam van ‘vlees’ dat Jezus tijdens zijn aardse leven had, en het gemeenschapslichaam waarin Paulus de na- of doorwerking van Christus beleefde. Hij leest de belevenissen van Jezus op aarde nog als ervaringen van een individu, niet als gemeenschappelijke herinneringen van het ‘gemeenschapslichaam’. Was dat laatste wel het geval, dan zou het althans in principe mogelijk moeten zijn voor elk van de ‘leden’ van Christus’ ‘lichaam,’ om in wat Jezus op aarde beleefd had, het wordingsproces te herkennen van zijn of haar eigen groei of ‘wasdom’.
        Maar stel dat wij het Nieuwe Testament wél zo lazen! Dan zou ons ‘delen in zijn lijden’ (Romeinen 8:17) iets zijn waar wij altijd al mee bezig waren zonder het te weten. Dan zouden we ‘Wij hebben de zin van Christus’ (1 Korintiërs 2:16) op een radicaal concrete manier kunnen lezen, die verwoord lijkt te zijn in de twintigste-eeuwse Engelse vertaling van James Moffatt: ‘our thoughts are Christ’s thoughts.’ Dan zou er sprake zijn van gelijkvormigheid of gemeenschappelijkheid tussen ons innerlijk leven en dat van Jezus, zelfs op het niveau van individuele gedachten en dus wie weet ook van herinneringen. Zou dit één wijze van vervulling zijn van het gebed dat Jezus in Johannes 17 uitspreekt: ‘[...] opdat zij één zijn, gelijk Wij één zijn, Ik in hen en Gij in mij [...]’?
        Uit dit vermoeden is mijn bewerking of ‘beluistering’ ontstaan. Zij is niet bedoeld als vervanging van de bestaande vertalingen; wel als een poging om een aantal mogelijkheden uit te spreken die het Nieuwe Testament ons aanreikt maar waar wij meestal niet aan denken omdat het geïnstitutionaliseerde geloof ons tezeer ‘Christus’ heeft leren beschouwen als iets of iemand buiten onszelf, terwijl het eigentijdse, eerder nihilistische dan humanistische ongeloof ons maar wat makkelijk verzekert dat ‘God’ uit onszelf afkomstig of ‘binnen ons’ is, zonder ons daarbij te kunnen vertellen waar de grenzen liggen van wat ‘wij’ dan zijn.
        Wellicht biedt de vaak versmade heilige Paulus toch uitkomst, met zijn opvatting van een groeiend, gemeenschappelijk ‘lichaam’ waar én God (in de persoon van Christus) én wijzelf een rol in spelen, en dat zelfs de niet-menselijke natuur, zo niet de hele schepping insluit. (Zie ook Kolossenzen 1:17, ‘alle dingen hebben hun bestaan in hem’).
...
...
In mijn bewerking komt de naam ‘Jezus niet expliciet voor – hij wordt vervangen door ‘wie wij worden’ of ‘wie wij zijn.’ Soms ook door ‘de verlangde,’ want volgens het Nieuwe Testament was Jezus zowel Gods ‘Zoon, de geliefde, in wien Ik mijn welbehagen heb’ (Matteüs 3:17 als ook de lang verbeide Messias in wie de ‘generaties’ hun hoop hadden gesteld. Hij werd door zowel God als de mens verlangd. Velen van ons, hopelijk de meesten, hebben de ervaring gekend door een mens verlangd te zijn – door een ouder, een vriend of vriendin, een geliefde. Wij hebben, mede door een traditie die ons ‘niet tot enig goeds bekwaam’ verklaarde, meer moeite met de gedachte dat wij ook door God volop verlangd, gewild zouden zijn. Toch is het mijn overtuiging dat ook dit tot de erfenis (en de ervaring) behoort van ‘wie wij worden.’
        Ik beschouw het niet als heiligschennis om de overgeleverde Schrift te benaderen als een geliefd maar weerbarstig erfstuk, waarin wij ons met moeite moeten leren vinden. En ik begrijp volkomen de woorden van Moffatt uit het voorwoord bij de herziene uitgave van zijn vertaling: ‘ik hoop dat de vertaling in handen komt van sommigen die hun religieuze belangstelling voor de betekenis van het Nieuwe Testament weten op te frissen door het af en toe in enige niet-erkende [...] of vreemdtalige versie te lezen.’

[iets ingekort; verschenen in Liter 35, december 2004, pp. 6-8]


Nieuw Verbond: Zes Epistellezingen

...
door de Wet, vol verboden
in de vorm van menselijke verordeningen,
buiten werking te stellen,
om de twee met inzet van zichzelf
te herscheppen tot één nieuwe mens
...
- Efezieërs 2: 15, Naardense Bijbel


[Kolossenzen 1: 24-27 en 1: 14-19]

Wij lijden om een wordende,
om in ons vlees het lichaam te vatten
waar gerucht in gloedt:
dat wie wij worden
hier en in ons wordt:

gloed van de geboorte
waar alle wond in opgaat:
want wie wij worden is het
die aan de dood ontstorven
in vreugde overaardt.


[2 Korintiërs 12:9]

Wie wij worden is het
die zegt in mij: ‘Jij bent
in overvloed bij mij.

Van ons is nu de afgrond
waar licht in zal blijken’. –

Want waar ik ook wijk,
ik kom in een licht uit

dat onderkomen blijkt
voor wie wij worden.


[Efeziërs 4: 7-13]

In ieder van ons
is volte vrijgegeven:
vol van wie wij worden,

van wie is geschreven: ‘Verrezen;
omvangt die gevangenen waren,
omklemt die waren beklemd’ –

want wat is verrezen anders
dan onder en mede geweest?

rakend tot aan volte,
tot lichaam dat wij worden
waarin wij staan volledig,

kenners van ons kindschap
in liefde, tot heel ons lichaam samen is
en wij liefdes leden.


[1 Korintiërs 13:12]

Wij spiegelen ons aan duister,
noemen het Nu,

zeggen nog niet de naam,
kennen geen naam voor een later,
wijder gelaat: Wij,

wij dat wij zullen bekennen
waar wij in alle leden zijn gekend.


[Filippenzen 3: 10-12]

Moge ik mij weten
in opgaan begrepen,
lid in ons wijdere lijden:

dat ik voortkom
uit wie wij worden,
deelheb aan een dood

die samenbrengt. Want worden
brengt samen uit een dood;
wij raken de wij in alles wat ons raakt.


[Kolossenzen 2: 9-12, 14]

In wie wij worden
vindt de volte van de levende
haar wonen en haar worden

waarin ook jij
tot leven komt volledig:

boven begin,
buiten benoem,

niet door het vlees te verlaten
maar in óndergaan
dat opgaan is:

uitgewist elk mensenwoord
dat ons verbood.

[verschenen in Liter 16 (maart 2001), pp. 13-18]

Friday, September 16, 2011

Als ambtenaar belast (verhaal)

(uit Optekeningen over het Uitzonderlijke uit een Sinologisch Studeervertrek 漢齋誌異 van Lloyd Haft)

Het was half november en ik zat inmiddels al twee maanden in China – een ontroerende, bitterzoete tijd, want juist in deze maanden, najaar 1979, kwamen de tegenstellingen, de tweeslachtigheid van het leven in alle China’s, oud of nieuw, schrijnend en onvergetelijk op de buitenlander af. Het land was bezig zich open te stellen, heette het. Westerlingen, onder wie ik als een van de eersten, werden er toegelaten zoals tijdens het Mao-bewind niet meer het geval was geweest. Wie Chinees sprak, mocht zelfs zonder begeleider de straten op, de wijken in.
        Maar eenmaal in die wijken, wat dan? De inwoners, van wie er vele nooit eerder blanke mensen van dichtbij hadden gezien, staarden wel, maar hielden zich op een afstand. Het bewind was nog maar kort daarvoor veranderd, en er kon ieder ogenblik een nieuwe wisseling komen. De menselijke gevolgen van het vorige bewind waren zo gruwelijk geweest dat het voorlopig als een onpatriottische daad gold er zelfs over te spreken. De nieuwe leiding scheen nu weliswaar buitenlanders in de Chinese steden te gedogen, maar de consequenties van in het openbaar gesignaleerde omgang met hen lieten zich niet overzien. Voor de gewone burger was het in ieder geval het veiligst om geen contact met hen te hebben.
        Het was mij in Peking overkomen dat mensen aan wie ik de weg vroeg zich zonder één woord omdraaiden en wegliepen. Ook was ik weleens in een restaurant net zolang door het bedienend personeel genegeerd tot ik vanzelf weer verdween.
        Maar dat was Peking geweest, en nu zat ik sinds een paar dagen in Shanghai. Hier waren veel meer mensen die zich waagden aan een gesprek met mij, of die op nogal onhandige wijze probeerden mij ertoe uit te lokken. Er waren jongeren die mij op straat achternaliepen, keihard de herkenningsmelodie fluitend van de Amerikaanse kortegolfzender The Voice of America. Anderen vroegen of ik hen kon helpen met een zinnetje uit English for Beginners. Een enkele maal kreeg ik zelfs tussen neus en lippen door te horen dat het Chinese volk heimelijk tegen het communisme was, dat men besefte onder een tirannie te leven en dat westerse democratische idealen veel aanhang genoten. Er leek wel iets te zitten in het klassieke onderscheid tussen de sobere, correcte ‘Peking-cultuur’ en de ‘Shanghai-cultuur’, die eerder kosmopolitisch, liberaal, zelfs een tikkeltje flamboyant kon zijn.
        Maar de flamboyance anno 1979 strekte zich nog niet uit tot man-vrouwrelaties tussen Chinezen en buitenlanders. Nederlandse studenten in Nanking hadden mij met grimmig gelach het verhaal verteld van een Chinese student wiens studiebeurs gedurende lange tijd werd ingetrokken omdat hij één keer een westerse studente achter op zijn fiets had meegevoerd. Onder de buitenlandse vertegenwoordigers en onderzoekers ging het gerucht dat de Chinezen opzettelijk nooit lang achter elkaar dezelfde vrouw als tolk of gids voor een mannelijke gast lieten optreden.
        Uit mijn eigen ervaring wist ik dat het de Chinese meisjes zeker niet ontbrak aan belangstelling voor de buitenlandse man. Maar ik wist ook dat die belangstelling, om door de smalle poort van een vijfduizend jaar oude moraal heen te kunnen, zich langs zulke subtiele wegen moest uiten dat je soms wel een ingewijde moest zijn om de tekenen ervan op te vangen. Daarbij kwam mijn sinologische opleiding mij goed van pas.
        Ik wist dat de meisjes – toen nog allemaal in hetzelfde slobberige broekpak gestoken, de enige verrassing was blauw of groen – waren opgegroeid in een cultuur die wat relaties betreft een strikte scheiding aanbracht tussen de begrippen ‘persoonlijk’ en ‘intiem’. Er was sprake van een ‘persoonlijke’ relatie zodra men elkaar kende en, vooral, met elkaar te maken had binnen een openbaar kader dat een naam had. Men was ‘dienster’ tegenover ‘hotelgast’, ‘verkoopster’ tegenover ‘toerist’, eventueel ‘studente Engels’ tegenover ‘Engelssprekende westerling’. Zo’n relatie was ‘persoonlijk’ in die zin dat men elkaar kende, met elkaar samenwerkte en dus wederzijds mocht bestaan. Maar het was allesbehalve ‘intiem’ – immers, voor het herkenbaar (dus goed) werken van het publieke kader was het niet nodig dat één of beide partijen er een bijzonder tintje aan zouden geven. Samen vlot functioneren moest genoeg zijn. Voor het botvieren van je emoties had je weer – ja, wat had je daarvoor? Officieel: je revolutionaire inzet. In de praktijk: je als zodanig erkende vriendschappen, die daarmee ook al iets van een kader hadden. Verder de omgang met broertjes en zusjes...
        Maar het bloed kruipt waar het niet gaan kan, en in de loop van die duizenden jaren van encadrering hadden de Chinezen schitterende technieken uitgevonden om dingen die niet gezegd mochten worden, toch te zeggen, desnoods juist door de onmiskenbare overdrevenheid waarmee ze werden vermeden. Hoe vaak had ik mijn studenten in Leiden niet gewezen op de passage uit het negende-eeuwse verhaal Yingying, waarin de jongen en het meisje, die dadelijk aan een onweerstaanbare verboden hartstocht zullen toegeven, elkaar voor het eerst ontmoeten? ‘Misnoegd wendde zij zich van hem af, alsof zij zijn aanwezigheid niet verdragen kon’. Het eerste teken van liefde is dus een vertoning, niet eens van onverschilligheid, maar van een opvallende afkeer.
        Natuurlijk paste het niet bij de meisjes in de twintigste-eeuwse hotels om zich kennelijk afkerig van de betalende gasten te gedragen. Maar een overdreven stiptheid, een werkelijk onwaarschijnlijke correctheid, kon dezelfde functie hebben. Op een keer ging ik naar de kiosk van mijn hotel in Peking om een exemplaar van Newsweek te kopen. In het oogcontact dat ik met de verkoopster had meende ik even iets kaderloos te voelen. Onmiddellijk dacht ik bij mijzelf: onzin, wat voor geile, tienerachtige flauwekul is dit nou weer van je. Maar toen wendde het meisje zich helemaal van mij af en ging over tot het stuk voor stuk inspecteren van alle Newsweeks uit de hele stapel. Zij hield ze tegen het licht, keek of de voor- en achterkaften wel onbeschadigd waren. Uiteindelijk bevond zij een bepaald exemplaar waardig om aan mij te worden verkocht. Ik begreep wat zij bedoelde.
        Uiteraard werd er niet over gesproken. Maar in zo’n sfeer kon een zeer spannende vicieuze cirkel ontstaan waarbij de angst voor de in politiek opzicht verboden gevoelens juist kon leiden tot soorten van vermijdingsgedrag die je nauwelijks meer kon onderscheiden van de traditionele uitingsvormen van diezelfde gevoelens! Hoe indirecter je elkaar toesprak, des te langer klonken de woorden na.
        Soms werd dit mechanisme nog sterker aangedreven door de naar mijn smaak volstrekt overbodige schaamtegevoelens die veel Chinezen hadden over de technische middelmatigheid van de voorzieningen in hun land. Als een gloeilamp in je kamer het niet meer deed, begonnen ze al over de wetenschappelijke achterstand die China tijdens het vorige regime had opgelopen en over de vooruitgang die nu zou volgen als iedereen meewerkte. Men wilde iets dóen, een gebaar naar je maken, om er zeker van te zijn dat je toch écht met prettige herinneringen aan China zou terugdenken.
        Dat kon weleens uitlopen op een onbestemde maar uiterst geladen sfeer, een mengsel van aantrekking, angst, nieuwsgierigheid, schaamte, verwarring, vreugde en alles wat zich nog meer kan voordoen wanneer rassen- en nationale verschillen ten top gedreven en tegelijk doorbroken worden in het moment van menselijke herkenning.
        Zelfs in het kille, noordelijke Peking was ik weleens terechtgekomen in zo’n draaikolk van oncontroleerbare exaltatie, van wederkerige gevoelsintrige die geen feitelijke leegte kapot kon krijgen. En nu zat ik in Shanghai, waarvan de naam voor mij vroeger al een synoniem was geweest voor alles wat ver, verboden en exotisch was...
        Het was al vier uur geweest, en sinds de ochtend had ik vele uren gelopen. Ik was zo naïef geweest een wandeltocht te ondernemen vanaf mijn hotel in de voormalige Franse Concessie helemaal tot aan de haven met de prachtige Bund, en terug. Op de plattegrond leek het best een beloopbare afstand, maar ik had geen rekening gehouden met het aantal mensen dat ’s middags op straat zou lopen, dringend, slenterend, stilstaand, kopend en verkopend, en bij dat alles vreselijk schreeuwend.
        Ik kwam nauwelijks meer vooruit. Behalve dat ik nog moe was van de overtocht uit Peking, had ik niet zo best geslapen; de Duitse wetenschappers die naast mij in het hotel zaten waren de halve nacht opgebleven om te zuipen en herrie te maken. Ik realiseerde mij ineens dat ik echt heel moe was. In die dagen waren er geen openbare taxi’s in Shanghai; zo’n volle Chinese bus instappen was net zoiets als jezelf vrijwillig op een ciderpers leggen, en ik begon eraan te twijfelen of ik mijn hotel nog wel kon halen. Ik trilde al een beetje en had erge dorst.
        De mensenmassa waarin ik vastgeklemd zat bewoog zich als een walvis verder. Ik kon niet duidelijk zien waar wij met z’n allen heen geraakten, maar bewegen deden we wel, volgens wetten die het individu te boven gingen. Op een gegeven moment staken we een straat over, de massa begon zich naar twee kanten te verdelen, en door het gewoel van legerjassen en ledematen heen ontwaarde ik op enige afstand een paar kisten op de grond met kleurige voorwerpen erin. Fruitverkoop! Met moeite slaagde ik erin mij aan de gedwongen mars der schuifelaars te onttrekken en bij de fruitkraam te komen.
        En daar stond ik ineens, trillend, zwetend, licht hijgend, tegenover een verkoopster van wie ik onmiddellijk wist dat ik haar eerder gekend had. Het was onmogelijk en toch wist ik het. Wij zagen elkaar recht in de ogen, en op hetzelfde ogenblik barstten wij beiden uit in een glimlach die niets meer met politiek of nationaliteit van doen had. Het duurde maar een seconde of we keken weer weg, want dit was China, 1979, en wij waren omringd door nieuwsgierige naasten.
        Ik stond perplex, maar van mijn moeheid was geen spoor meer te bekennen. Van de ogenblikkelijke herkenning was iets verkwikkends uitgegaan. Ik voelde me niet meer buitenlander in China; ik was weer mens onder de mensen.
        Maar wie was het meisje? Als ik in die dagen in reïncarnatie had geloofd, had ik gezegd: O ja hoor, da’s die! Maar ik was toen nog maar kort in China en geloofde nog in westerse psychologie en dergelijke dingen meer. Terwijl ik mijn blik over de appels en mandarijnen liet gaan, dacht ik: misschien is ’t niet waar, je zult wel neurologisch wat overbelast zijn, je bent zoveel alleen geweest en het is een aardig meisje, je was daarnet zo moe, je bloedsuikerspiegel zal wel erg laag zijn nu, en dat slaat terug op de psyche...
        ‘Dag, meneer de buitelandse gast, mag ik u helpen?’
        Ja, zeker kende ik die stem ook! Maar ik durfde het niet te zeggen, want er kwamen steeds meer mensen bij en ze keken allemaal!
        ‘Och ja, ik wilde graag twee appels en een stuk of vier van deze mandarijnen’.
        Ondanks het aantal dringende klanten haastte het meisje zich niet. Het leek wel of ze eerst alle appels drie-, viermaal in haar handen moest nemen om eindelijk voor mij twee goede te vinden. Bij de mandarijnen ging het net zo. Toen haalde zij ergens achter de kisten vandaan een zak te voorschijn, van het soort dat ze in China maken uit aan elkaar geplakte pagina’s van oude boeken. Daar legde zij eerst zeer voorzichtig lange slierten in van een of ander pakspul, en toen werd eindelijk mijn fruit ingepakt en overhandigd. Terwijl ik betaalde, vroeg ik hoe ver het was naar het hotel.
        ‘Vier straten verder, aan uw linkerhand. Verblijft u daar?’
        ‘Ja’.
        ‘En voor hoe lang bent u hier?’
        ‘Nog twee weken’.
        ‘Wat fijn. U komt toch zeker nog eens langs voor u weggaat?’ Ondertussen was ze al een andere klant aan het bedienen, en de mensen staarden écht.
        ‘Dat zal ik zeker doen. Dank u wel, en tot ziens!’
        Ik zag, voelde, merkte niets van de weg terug naar het hotel, want twee wonderlijke beelden, elkaar afwisselend, zweefden de hele weg voor mij uit. Het eerste was van een appel die heerlijk in het zonlicht glansde, maar telkens even veranderde in het gezicht van de appelverkoopster; er was ook een soort lijst omheen, gevormd door bloesems van een appelboom die ik lang, lang geleden gezien had, als heel jong kind, op een boerderij.
        Het tweede beeld had te maken met het sliertvormige inpakmateriaal dat het meisje gebruikt had. Het waren nu lange, blanke rietstengels geworden die geweldig wuifden, ik wist niet waar, maar er was iets kouds, woests, zelfs iets dreigends mee aan de hand.
        Om en om sleepten de twee beelden mij achter zich aan, maar tegen de tijd dat ik in het hotel terugkwam kwam een derde beeld op, dat duidelijk een nog diepere samenvloeiing van de eerste twee betekende. Het was niet zozeer een beeld als wel een gedicht – een Chinees gedicht uit de Shijing, de oudste verzameling Chinese poëzie, die van vele eeuwen voor Christus dateert:

In de wildernis een dode hinde,
blank riet eromheen.
Er is een meisje, denkt aan lente.
Een knappe man krijgt haar mee.

In ’t bos struiken,
in de wildernis een dode hinde,
blank riet een bundel.
Er is een meisje als jade.

Langzaam, zachtjes zachtjes.
Beroer mijn ceintuur niet,
laat de hond niet blaffen.

Sinds ik dit gedicht voor het eerst gelezen had als student in Leiden, was ik het nooit meer vergeten. Later had ik het weleens met mijn studenten gelezen; wij hadden ook aandacht besteed aan de vertaling van Ezra Pound, die het niet kon laten om het gedicht als gedicht te verpesten door een zelfverzonnen regel erin te smokkelen: ‘Zo dood als de hinde is (haar) maagdelijkheid’. Daarbij had ik gezegd: waarom moest het weer zo nodig een vergelijking worden? Waarom wou hij het weer begrijpelijk hebben, ten koste van de schoonheid, het onvergetelijke zo-aangetroffen-zijn van de beelden?
        In mijn kamer aangekomen dacht ik, terwijl ik al naar pen en papier greep: waarom moet het altijd zo duidelijk zijn, zo of-of? Waarom moet het glimlachende meisje eigenlijk hetzelfde zijn als een soort dood dier? Waarom mag ik niet én Gast én Man zijn?
        Ik ging aan het bureau zitten en schreef binnen drie minuten een gedicht:

Appelverkoopster

Toen ik het voor ’t eerst
las, kon ik even
geen adem meer krijgen –

dat gedicht uit de oudheid
over een hinde die in het bos
dood lag, toen het lente moest worden.

Dat jij appels verkoopt
staat daar nu los van:
’k lust er wel een.

Aan je kraam, aan je kratten hangt
geen bel van koper,
geen jade hanger.

Alleen een appel hoef ik,
een gouden, gewone:
pak ’m voor me in.

Leg ’m als het kan tussen
bladeren, met blank riet
eronder, en erover.

Toen het gedicht af was, dacht ik ineens weer aan mijn droge keel. De eetzaal zou inmiddels al geopend zijn, en daar hadden ze Chinees bier van het heerlijke merk Qingdao. Terwijl ik opstond en langs de marmeren trappen naar beneden snelde, dacht ik: als je zo’n gedicht schrijft, ben je wel honderd procent op zijn Chinees bezig. Ook zij gebruiken een toespeling, iets uit een oud gedicht of verhaal, wanneer het eigenlijk gaat om iets in het heden dat te pijnlijk of te gevaarlijk is.
        Ik dronk die avond veel bier en bestelde opzettelijk vette, machtige gerechten die een dempende werking op de hersenactiviteit zouden hebben.

De volgende dagen had ik het zeer druk met het voeren van gesprekken op allerlei universiteiten en instituten. De autoriteiten stonden mij graag te woord en ik maakte dagelijks veel aantekeningen, die ik ’s avonds moest ordenen en bewerken. Maar op de achtergrond van alles, net alsof er de hele tijd een televisie op een andere zender aan stond, bleef ik denken aan het meisje, de appel, de hinde, het riet. Vooral op ogenblikken dat de druk van het werk opeens wegviel en ik weer alleen was, zoals toen ik in de taxi stapte die mij na een interview weer naar het hotel zou brengen, kwam die tweede, innerlijke sfeer naar boven. Het leek iedere keer wel of het in de tussentijd duidelijker, omlijnder, uitgewerkter was geworden. Voor de buitenwereld onderzocht ik dag en nacht het China van 1979, maar tegelijkertijd was ik in de oudheid met dat meisje bezig. Het was onmogelijk en toch wist ik dat het zo was.
        Ik zat weer in zo’n draaikolk. Ik had een traditie aangegrepen om afstand te nemen van mijn eigen gevoel, maar juist door de ingebouwde dynamiek van die traditie werd het gevoel nog oeverlozer, archetypischer, onweerlegbaarder. Door een soort ‘Chinees’ gedicht op het meisje te schrijven, was ik juist nog onherroepelijker vervallen in de rol van zo’n hoge Chinese ambtenaar in het oude Keizerrijk, belast met het toezicht op culturele zaken, die tijdens een werkverblijf in het Zuiden niet kan verhinderen dat zijn oog op een plaatselijk meisje valt...op wie hij dan een gedicht schrijft.
        Het was onzin, maar dan van het soort dat je je leven lang bijblijft. Had Slauerhoff, die oude China-ganger, ook niet gezegd: ‘Alleen in mijn gedichten kan ik wonen’?
        Ik wist dat met het schrijven van het gedicht de relatie, objectief gesproken, haar hoogtepunt al was gepasseerd. De vrucht was geworpen, over een week kon ik met een gerust hart Shanghai verlaten. Hoewel...in de stof, in de vorm, waren we nog niet helemaal klaar. Er moest ook nog afscheid worden genomen.
        Er kwamen weer een paar onbezette middagen. Het weer was prachtig, hoewel nu echt herfstachtig koel, en ik maakte weer lange wandelingen door de stad. Natuurlijk kwam ik steeds langs de fruitkraam.
        Het leek wel of het meisje zich iedere keer ingetogener gedroeg, terwijl ik juist altijd een voorkeursbehandeling kreeg die ik ronduit gênant vond. Alleen het beste was goed genoeg voor mij, al moest het uit een nog niet aangebroken kist worden gehaald. En iedere keer zei zij een paar woorden tegen mij, waarbij ik het gevoel had dat haar stem iedere keer nog ingehoudener klonk.
        ‘Bent u voor uw werk hier?’
        ‘Ja, ik praat met de universiteiten en instituten over het literatuuronderwijs in China’.
        ‘Wat fijn. Wel, wij zijn allemaal heel blij dat u hier kunt zijn, en wij hopen dat uw werk een groot succes zal zijn’.

Op een van die laatste, prachtige middagen, toen ik een paar appels had gekocht en op mijn wisselgeld stond te wachten, vroeg het meisje zonder mij aan te kijken: ‘Heeft u voor straks ook een warme jas, voor de winter?’
        Klopt, dacht ik, we doen het precies goed, helemaal zoals Het Moet. Ik herinnerde mij de passage, tegen het einde van Yingying, waarin het meisje, als het eigenlijk al vaststaat dat zij de jongen nooit meer zal zien, hem nog een brief schrijft waarin ze hem op het hart drukt zich warm te kleden tegen ‘de koude wind’.
        ‘Ja’, zei ik, ‘ik heb een goede jas’.
        ‘Gelukkig. En wanneer gaat u precies naar Peking terug?’
        ‘Overmorgenochtend’.
        ‘O, dan kunt u misschien morgen nog komen om iets voor op reis te kopen’.
        Ik beloofde het te doen. Ik was het toch al van plan geweest. Inmiddels was ik al sinds dagen geobsedeerd door de kwestie wát ik haar ten afscheid zou kunnen geven. Voor mijn eigen gevoel moest er wel iets worden overhandigd, een symbolische en toch ook tastbare afsluiting. Het probleem was iets te bedenken dat onmogelijk, zelfs na jaren, politiek compromitterend voor haar zou kunnen zijn. Je moest ervan uitgaan dat zij, zoals de meeste Chinezen, zo goed als nooit echt alleen zou zijn; ook het kleinste voorwerp dat ik haar zou geven, kon altijd worden opgemerkt, en bij een eventuele toekomstige politieke campagne zou zij al haar persoonlijke bezittingen moeten kunnen verantwoorden.
        Terwijl ik in de stad terugkeerde, liep ik de overwegingen weer na. Hoe dan ook moest het niet iets zijn dat je alleen van een buitenlander kon hebben gekregen. Ook kon het geen opvallende geldelijke waarde hebben. Er moest geen zweem van ‘bourgeois decadentie’ of ‘hebzuchtig individualisme’ aan kleven. Aan de andere kant moest het wél leuk zijn, anders gaf ik het haar toch niet?
        Kon ik haar een klein Nederlands of Amerikaans muntje geven? Zou ze zich daar onderuit kunnen praten, later, hoe ze daaraan gekomen was? Op straat gevonden? Tussen het geld tegengekomen? Nee, dacht ik, toch te link.
        En een pen, een ballpoint? Ik gebruikte zelf een pen uit een Chinese winkel – maar ja, wist je veel of dat model nooit door mensen van haar soort gebruikt zou worden. Ook weer te opvallend, bovendien zou je veel aandacht trekken met het aanreiken van zo’n pen.
        Ik was inmiddels weer moe. Ik was weer een heel stuk in de richting van de haven gelopen en het werd weer zo’n zee van mensen om mij heen. Ik stak een straat over en zag plotseling hoe twee zeer jonge kinderen mij vanaf de andere kant aanstaarden. Ze waren duidelijk broertje en zusje. Toen ze zagen dat ik keek, fluisterde zij iets in zijn oor, waarop beiden begonnen te glimlachen en mij hartelijk toewuifden. Ik glimlachte terug en riep, toen ik al dichterbij was: ‘Dag jongens!’ Zij lachten, draaiden zich om en verdwenen weer de grote zee in, maar in die draaibeweging viel het mij op dat zij beiden vóór op hun jasje een rode ‘Peking’-button droegen, gewoon zo’n souvenir –
        Ja! Dát zou het worden. Ik had ook zo’n button met de naam ‘Peking’ en een gestileerde afbeelding van het Culturele Paleis van het Arbeidersvolk. Die zou ik zonder bezwaar als afscheidscadeau kunnen gebruiken, iets gewoons en toch iets van mij...
       
Terug in het hotel, na een uitgebreid avondmaal en ettelijke glazen Qingdao, realiseerde ik mij dat ik er met de button nog niet was. Want ik moest ook een manier verzinnen om het haar te geven, een persoonlijke en toch onopvallende manier, onder al die toeziende ogen.
        De hele avond kwam ik er niet uit. Ik ging eerst naar de bioscoop en maakte daarna weer een lange wandeling, maar ik kon toch niet beslissen of ik niet van het hele plan zou moeten afzien. Stel dat er zo’n rechercheur in burger bij stond, zo’n maoïstisch type, net op het ogenblik dat ik tegen het meisje zou zeggen: Dit is voor jou. En was het allemaal eigenlijk niet maar erg kinderachtig, eigenlijk een beetje gek van mij? Aan de andere kant, god, zoiets onschuldigs, het moest toch kúnnen...
        Die nacht sliep ik niet goed. De button was een principe-beslissing geworden en ik wist er geen raad mee. Mijn gedicht zou pas echt voltooid zijn, de werkelijkheid van de wereld waarin het ontstaan was zou pas bevestigd zijn, wanneer de button overhandigd was. Maar hoe kon ik het in die grote wereld daarbuiten geloofwaardig maken, hoe kon ik de button ‘brengen’ terwijl niemand, juist ook niet het meisje, mocht weten dat het gedicht bestond?
        Tegen de morgen besloot ik definitief ervan af te zien. Er zaten te veel kanten aan die ik te moeilijk vond. Moe, hoofdpijnerig en vervuld van ernst ontbeet ik in m’n eentje. Ik ging de stad in, deed futloos enige boodschappen en hing wat in een boekwinkel rond. Het leek die dag wel of iedere derde persoon een button droeg, ik had ze nooit eerder zo opgemerkt.
        Laat op de morgen vatte ik dan toch moed om voor de laatste keer naar de fruitkraam te gaan. Ik beeldde me in dat er wat vroeger op de dag nog niet zo heel veel mensen zouden zijn, maar toen ik aankwam, leek het nog erger dan ooit tevoren. Het meisje zag er al helemaal overbelast uit van de drukte en inspanning. Zij zag mij eerst even niet, en in dat ogenblik drong het pas tot mij door hoe werkelijk mooi zij was. Ik had haar gezicht eigenlijk nog nooit goed gezien; ik had haar meteen zo op mijzelf betrokken en in mijn gedachten verwikkeld dat ik niet had geweten hoe zij er als tegenwoordig mens uitzag. Weergaloos, dacht ik nu, mét die pijn, mét die moed: dit is hét menselijke gelaat.
        Toen zag zij mij, en er flitste even zo’n uitdrukking van leed in haar ogen dat ik het als een steek in mijn eigen borst voelde. Maar toen zette zij onmiddellijk weer een brede glimlach op, van het soort dat de Chinezen noemen ‘met de huid glimlachen, maar niet met het vlees’.
        ‘Zo, u bent weer gekomen. Wilt u inderdaad nog iets voor op reis?’
        ‘Ja, gewoon weer een paar appels graag’.
        ‘Ja hoor. Wacht, ik zal ze dit keer voor u in een doosje doen, dat is veel beter voor op reis’.
        Zij draaide zich om en dook diep in een van de enorme draagtassen die achter haar stonden. Na zeer langdurig rommelen bracht zij daaruit een dunne kartonnen doos te voorschijn, die zij met een roze plastic touwtje had dichtgebonden. Het losse eind van het touw had ze weer tot een lus vastgeknoopt, zodat het geheel uiterst handig te dragen was.
        Zij noemde een prijs, die mij wel wat laag leek, en ik betaalde. Welnu, dacht ik, dit is het dan, het Grote Ogenblik.
        ‘Heel hartelijk dank’ zei zij, nog steeds ‘met de huid’ glimlachend. ‘Een voorspoedige reis! En komt u vooral bij ons terug, als u in de toekomst de gelegenheid krijgt!’
        ‘Ik hoop het wel; u ook bedankt’ was het enige dat ik zei. Ik wierp nog een laatste blik op haar, maar ze werd al door de volgende klant toegeschreeuwd en zag mij niet meer.
       
Eenmaal in de trein naar Peking gezeten begon ik eindelijk tot rust te komen. Ik had weer slecht geslapen, en door het vele verkeer in de stad was het toch nog vrij moeilijk geweest op tijd weg te komen. De trein was gelukkig niet vol. Als buitenlander zat ik natuurlijk in de eerste of ‘zachte-banken’-klasse en had een klein tafeltje tot mijn beschikking, waarop ik alvast de doos met fruit had neergezet.
        De trein was nog niet lang vertrokken of ik kreeg al zin in iets fris. Het meisje had de doos zo goed dichtgebonden dat het me echt moeite kostte hem open te krijgen, maar uiteindelijk lukte het mij het roze touw te verwijderen. Toen ik het deksel eraf haalde, zag ik meteen dat er in de doos veel meer zat dan alleen wat ik gedacht had te kopen. Behalve de appels zaten er zes mandarijntjes in van een duurdere variëteit die niet altijd te krijgen was. Ook een plastic pakje met een soort zoete koekjes. Maar wat mijn ogen het meest aantrok was een heel klein doosje binnen de doos. Het zat in een hoek, wat weggedrukt door de appels.
        Ik haalde het kleine doosje eruit. Het was van hetzelfde soort karton gemaakt als de grote doos. (Had het meisje ze allebei zelf gemaakt? Dat was in China heel wel mogelijk.) Ook dit doosje zat met roze touw vast, maar met enige inspanning kreeg ik het open. Toen moest ik nog even een dun laagje blauw schuimplastic verwijderen – en daar lag, op een miniscuul lapje gele stof met daaronder weer schuimplastic, een glimmend rode button met de naam ‘Peking’ en een afbeelding van het Altaar van de Hemel.
        Ik voelde een pijn, een warme schuivende beweging, diep in mijn buik. Ik dacht even: als ik nou maar niet misselijk word, hier, vanochtend, in deze Chinese trein. Tegelijkertijd had ik ineens ontzettende honger, zoals eigenlijk al een hele tijd niet meer.
        Ik keek van de doos op, en door het raam zag ik het daar liggen in de koele, vale novemberzon: het prachtige, door de eeuwen heen bezongen landschap van het Zuiden. Wat was dat, wat stond er op die velden? Gras, graan, riet? Opstaand blank spul, rank, dor, dat met de herfstwind meewuifde.

--Lloyd Haft (verschenen in China, Verhalen van een land, samengesteld door Daan Bronkhorst en Lloyd Haft, Meulenhoff 1988)

Monday, September 5, 2011

Three prayers from Where Is the Body...(poems)

(1)   Sown

Lord, could I help it that I nearly saw
the colors of the wind? nearly heard
a singing deep in stone? Was it Thy law
I must so closely fail? And Thy word,

which breaks itself into the thousand names,
came broken in my heart. A thousand shivers
to carry were my love; no two were sames;
two raindrops were to me two gleaming rivers.

I loved them all: and so I came divided,
knowing the leaves in green but also brown.
No light fell but it was double-sided,
smithered over the steep roofs of the town

in sharpnesses as of a broken mirror,
showing me break with need to see it nearer.


(2)   Huntsman

Searching the day as ever for Thy word,
I know, Lord, that I shall not find Thy face.
For from a child, I have ever heard
Thou art in ‘truth,’ in ‘spirit’ – not in place.

Yet being made by Thee to need in Thee,
knowing Thy face is far, I seek Thy faces
of harmony – art Thou not harmony? –
where the ash tree’s thin but highest-branching places

are live against the sky – giving to dearth,
to emptiness or heaven where Thou must be
(needing the weak but stabbing shapes of earth
to prod Thee into forms that I can see?)

their little green, yet fuller of life as yet
than the Face I never saw and don’t forget.


(3)   Yoke

Lord, why was a pair of eyes my given?
Given a more than one but less than all? –
I, made for to see, light-driven,
able to see the rise and yet the fall

of sun, but not its staying into more –
circle or aught unnumbered, out of the weather
in ever, where each either with its or
round in a rose’s heart will ring together?

To the single-eyed, a shrub’s but a pennant – gay
flag of the light of a day – but it was more
in me: I saw that blossom brought away
in darkness: and I saw its seed before

it ever opened her in agony
for beauty and for more: for love of me.

--Lloyd Haft (from Where Is the Body That Will Hold?, 1998)