Brief bio sketch

Lloyd Haft (1946- ) was born in Sheboygan, Wisconsin USA and lived as a boy in Wisconsin, Louisiana and Kansas. In 1968 he graduated from Harvard College and went to Leiden, The Netherlands for graduate study in Chinese (M. A. 1973, Ph. D. 1981). From 1973 to 2004 he taught Chinese language and literature, mostly poetry, at Leiden. His sinological publications include Pien Chih-lin: A Study in Modern Chinese Poetry (1983/2011; published in Chinese translation as 发现卞之琳: 一位西方学者的探索之旅 in 2010) and Zhou Mengdie’s Poetry of Consciousness (2006).



He has translated extensively into English from the Dutch of Herman Gorter and Willem Hussem, and from the Chinese of various poets including Lo Fu, Yang Lingye, Bian Zhilin and Zhou Mengdie.



Since the 1980s he has also been active as a poet writing in Dutch and English. He was awarded the Jan Campert Prize for his 1993 bilingual volume Atlantis and the Ida Gerhardt Prize for his 2003 Dutch free-verse readings of the Psalms (republished by Uitgeverij Vesuvius in 2011). His most recent book of poems (in Dutch) is Deze poelen, deze geest (2008). His newer poems are published (some republished) on this blog.



After early retirement in 2004, for a number of years Lloyd Haft spent much of his time in Taiwan with his wife Katie Su. In addition to writing and translating, his interests include Song-dynasty philosophy and taiji quan. He sings in the choir of a Roman Catholic church of the Eastern Rite in The Hague.



Friday, May 27, 2011

Naar Psalmen 17-19

(1) Naar Psalm 17

Neem mijn waarheid op,
heb in u mijn smeking.
Ken u in de klacht
van mijn onverbeelde lippen.
Ken u in mijn klacht. Want mijn gelaat
gaat uit van uw aanschijn,
uw oog aanschouwe in mij de wederga.
Neem mij waar naar uw aanwezigheid:
wees het peil van mijn nacht,
u zult niets vinden anders dan uw nacht.
Aangaande uw mens verkondig ik u
dat het niet mijn wil was te wankelen,
mijn lippen blijven namens u herhalen
dat mijn pad een weg is:
ik hield mijn voeten in dit spoor
dat u eens tot mij zoude spreken.
Nu roep ik u: hoor mij nu toch.
Wat u hoort, zijn uw woorden door mij,
o luisteraar van hen
die uw hand zoude hoeden.
Laat mij het hart van uw oog zijn,
naaf van uw vleugelen,
holst van de kring die u ziet,
die ons samen wandelen trekt.
Wederwicht, ontwaak!
Verlos mij van het ongoddelijke
dat uw zwaard om ons heen heeft gehouwen,
help mij het werk van uw hand overleven.
Ik wil dat u er bent
in waarheid, als ik opsta
behouden naar de mate
van uw aanschijn.


(2) Naar Psalm 18

Ik zál u liefhebben,
zál u goed noemen
al strakken de banden van uw dood
nu al om mij heen,
stromen al uw haters op mij toe.
Al redt u mij niet meer –
de banden van uw dood zijn mij nog levens-
draden: laat mij u toch
volgen tot in uw verborgen zijn.


(3) Naar Psalm 19

De hemelen maken zijn gloed helder
in het onvatbare. Uitstrekkende
blijkt hij.
Dag aan dag spreken zij
tekenloos: hun stem
wordt niet gehoord onder de mensen.
Hun snoer meet dieper dan aarde,
voorbij het laatste mensenwoord
waar hij de zon wil zien wonen:
met vreugde op het pad dat voor hem ligt,
vanuit het begin van de hemelen
en terug naar het begin:
en voor zijn gloed is niets verborgen
want de ziende ziet uit
naar volheid: wat houdt stand
buiten zijn blijken?
– de ziende, die zich geeft
in een weids hart, helderder ogen.
De ziende: wat staat
buiten zijn bevinden?
– dat begeerlijker is
dan edel metaal
en zoet: waarin ook wij
zijn aangegeven: zeem dat hij wil zien.
Moge voor de woorden van mijn mond
en het wachten van mijn hart
een plaats zijn in uw zicht,
o ziende, mijn kracht en mijn herkenner.

--Lloyd Haft (uit De Psalmen in de bewerking van Lloyd Haft, Querido 2003; herdruk Uitgeverij Vesuvius 2011)