Brief bio sketch

Lloyd Haft (1946- ) was born in Sheboygan, Wisconsin USA and lived as a boy in Wisconsin, Louisiana and Kansas. In 1968 he graduated from Harvard College and went to Leiden, The Netherlands for graduate study in Chinese (M. A. 1973, Ph. D. 1981). From 1973 to 2004 he taught Chinese language and literature, mostly poetry, at Leiden. His sinological publications include Pien Chih-lin: A Study in Modern Chinese Poetry (1983/2011; published in Chinese translation as 发现卞之琳: 一位西方学者的探索之旅 in 2010) and Zhou Mengdie’s Poetry of Consciousness (2006). His most recent book, a liberal modern Dutch reading of Laozi's Daode jing, was published as Lau-tze's vele wegen by Synthese in September 2017.



He has translated extensively into English from the Dutch of Herman Gorter and Willem Hussem, and from the Chinese of various poets including Lo Fu, Yang Lingye, Bian Zhilin and Zhou Mengdie.



Since the 1980s he has also been active as a poet writing in Dutch and English. He was awarded the Jan Campert Prize for his 1993 bilingual volume Atlantis and the Ida Gerhardt Prize for his 2003 Dutch free-verse readings of the Psalms (republished by Uitgeverij Vesuvius in 2011). His newer poems are published (some republished) on this blog.



After early retirement in 2004, for a number of years Lloyd Haft spent much of his time in Taiwan with his wife Katie Su. In addition to writing and translating, his interests include Song-dynasty philosophy and taiji quan. He sings in the choir of a Roman Catholic church of the Eastern Rite in The Hague.



Saturday, January 29, 2011

Zware schepen (verhaal: deel 3 van 3)

(uit Optekeningen over het Uitzonderlijke uit een Sinologisch Studeervertrek 漢齋誌異 van Lloyd Haft)

De week daarna, op woensdagavond tegen zonsondergang, stapten Geert en ik met Anny in de auto om naar Den Haag te gaan. Geert had mij, kort en cryptisch, uitgenodigd om als introducé mee te gaan naar ‘een receptie die je vast interessant zult vinden, met jouw belangstelling voor schepen’; ook Anny zou meegaan.
        Onderweg werd in de auto niet nader over de receptie gepraat; toen ik er één keer over begon zei Geert met een zelfvoldane glimlach: ‘Wacht maar, je merkt het straks wel. Het wordt heus geen verspilde avond voor Hal, hè Anny?’ Van achter het stuur glimlachte Anny een beetje en zei niets.
        Onze bestemming bleek een oud, degelijk hotel in de binnenstad te zijn – ‘niet helemaal Sociëteit de Harmonie’, in de woorden van Geert, ‘maar toch gezellig’. Wij gingen naar binnen en troffen een bijzonder drukke toestand aan. Bij de receptie stonden mensen met jassen en koffers in rijen te wachten; de lounge zat ook vol met mensen die met bagage en al kennelijk ergens op wachtten, maar tegelijkertijd leek er in dezelfde ruimte inderdaad een receptie aan de gang te zijn. Obers liepen in jacquet met drank op dienbladen; keurig geklede gasten, de meesten van wat hogere leeftijd, gesticuleerden met blokjes kaas die samen met gembernootjes aan prikkertjes waren geregen. Ik keek me als Amerikaan de ogen uit het hoofd.
        Door de drukte konden wij ons nauwelijks bewegen, maar Geert had daar blijkbaar geen hinder van. Wij bleven nog net binnen de deur staan, maar toen de drank langskwam nodigde hij Anny met een handgebaar uit iets te nemen; zelf pakte hij twee glaasjes jenever en gaf mij er één. Hij sloeg met rustige belangstelling de nogal warrige menigte in de lounge gade, maar hij maakte niet de indruk bepaald naar iets of iemand te zoeken. Wel keek hij af en toe op zijn horloge. Toen een groep Japanners, allemaal met dezelfde oranjekleurige pet op, moeizaam met hun koffers en camera’s binnenkwamen, keek hij met koel vermaak toe: ‘Mooi hè die petjes. Net weer een legertje, maar nu doen ze ’t met geld. Nou ja, je kunt het ze moeilijk afleren’.
        ‘Ja’, zei Anny, ‘dat zullen wel vertegenwoordigers van een bedrijf zijn, die hebben vaak een soort van uniform aan’.
        Er waren wel meer mensen met uniformen – onder andere een Nederlandse P.T.T.-beambte met een grijze jas die sprekend leek op de jas die ik als jongetje altijd aantrok, vroeger in Amerika, wanneer wij oorlogje speelden en ik een Duitser was, en een politie-agent in een donkerblauw uniform met rijbroek en laarzen, die voor mijn gevoel net een S.S.-er was.
        De toch al zo drukke lounge leek nog voller te lopen: nog meer vermoeide gezelschapjes met Schiphol-tassen, nog meer dikke Indische dames in het lang. Alom werd onophoudelijk gepraat, maar je kreeg niet het gevoel dat er ergens een centrum, een spil van het gebeuren was. Geert leek ook geen enkele behoefte te hebben aan andere conversatie dan met Anny en mij.
        Wij hadden inmiddels de eerste borrel op. Toen er weer een ober bij ons langskwam, keek Geert weer even op zijn horloge en zei: ‘Nemen jullie nog wat, ik moet eigenlijk alvast naar achteren. Anny, we zitten in Zaal Vier, ik denk over een kwartiertje, ja?’
        Zij knikte en nam weer een jus d’orange. Hoewel ik van het eerste glaasje al half dronken was, ging ik door met jenever. Juist door het chaotische ervan vond ik de receptie hoe langer hoe interessanter; als buitenlander was ik voor de zoveelste maal, zoals Mevrouw van Sassen vaak zei, ‘gratis in de bioscoop’.
        Anny voelde zich kennelijk verplicht om met mij te praten; Geert was nauwelijks verdwenen of zij begon mij systematisch alle technische details te vertellen over de jurken van de Indische dames. Zij keek wel om de halve minuut op haar horloge. Toen een minuut of vijf waren verstreken, zei zij: ‘Wij moeten nu toch naar achteren zien te komen, naar Zaal Vier. Daar hebben ze straks een soort van plechtigheid’.
        Met zeer veel moeite worstelden wij ons langs alle benen en koffers heen en kwamen uit aan het begin van een lange gang. De gang was vreemd genoeg vrijwel verlaten, en Anny leek ineens in haar bewegingen flinker, beslister geworden; zij marcheerde echt in de richting van Zaal Vier. De enkele ober, de enkele grijsaard in leger- of marinepak knikte zij koeltjes toe.
        De deur van Zaal Vier stond half open. De zaal was opmerkelijk slecht verlicht, maar staande voor de drempel zagen wij dat er naast een verhoog, waarop een piano was opgesteld, een tiental klapstoelen waren uitgezet. Op één van de stoelen zat Geert, met aan beide kanten iemand in uniform. De stoelen waren allemaal bezet, er stonden al een aantal mensen omheen, en via een andere deur, aan de achterkant van de zaal, kwamen er steeds meer mensen naar binnen.
        ‘Vind ik toch zielig hoor’, zei Anny, ‘dat Meneer Cornelisse daar nu helemaal in z’n eentje moet zitten’.
        Ik was verbluft door haar gebruik van ‘Meneer Cornelisse’ in plaats van ‘Geert’; het klonk speels noch liefkozend; het voelde als een abrupte verandering van verhouding, alsof zij door hem naar een ander terrein van benoembaarheid te verwijzen, tegelijk zichzelf voor mij uitsloot van blijvende aanspreekbaarheid.
Ik vond ‘in z’n eentje’ ook vreemd, hij zat daar immers niet alleen. Misschien bedoelde zij daarmee ‘zonder ons’, dat kon toch ook, in het Nederlands?
        Terwijl wij elkaar even in wederzijds onbegrip aanstaarden, sloeg de pianiste een akkoord aan. Het geluid viel meteen als ijs over mijn rug en armen. Naast de piano stond een jonge vrouw, een mooi blond meisje in een paarse avondjurk. Zij begon te zingen:

Bist du bei mir,
geh ich mit Freuden
zum Sterben
und zu meiner Ruh.

Terwijl ik kippenvel kreeg zoals nooit eerder van mijn leven, werd ik opeens hard opzij geduwd door een paar jonge mannen die van achter ons naar binnen snelden. De één, die een veldgrijs Wehrmacht-uniform droeg, riep zonder om te kijken: ‘’tschuldigung!’ De andere, als matroos gekleed, keek wél even om, maar toen zijn blik de mijne kruiste, voelde ik dat hij mij niet zag. Ik had kunnen zweren dat op de band van zijn witte matrozenpet in frakturschrift de tekst ‘Schlachtschiff “Gneisenau”’ stond.


Ach, wie vergnügt
wär so mein Ende,
es drückten deine lieben Hände
mir die getreuen Augen zu!

‘Dat vind ik lef hebben’, zei ik tegen Anny, ‘dat je in dit gezelschap als Duits militair verschijnt! Vinden de mensen dat niet vreselijk aanstootgevend?’
        ‘Hoezo? Hoe bedoel je, Duits?’
        ‘Nou, dat waren toch Duitse uniformen, van die kerels?
‘Kerels…’ – maar haar vingers groeven zich al in mijn arm. ‘Kom’, zei zij op dezelfde merkwaardige toon als daarnet: ‘laten we gaan. Ik geloof toch niet dat het helemaal de bedoeling is dat wij hier tot het einde toe blijven, en ik moet morgen weer vroeg aan de slag.’.
        Op weg naar de auto, en op weg terug naar Leiden, voer Anny op een eigenaardige toon – druk maar afwezig – voort over de avondkleding, maar ik hoorde bewust nauwelijks wat zij zei; ik bleef volledig onder de ban van Zaal Vier. Het was niet zozeer het daarin gebeurde – of misschien kon ik beter zeggen het daarin beleefde – dat mij zo vasthield. Het al dan niet secuur zien van wat ik de ‘Duitsers’ had genoemd, en het maar al te duidelijk horen van Anny’s verbijsterend plotselinge schijnbare afstandneming tegenover Geert – dit alles raakte nu voorlopig op de achtergrond terwijl wij op de Rijksweg vanuit Wassenaar doorreden en de velden en bomen langs de weg mij nog meer dan gewoonlijk herinnerden aan andere nog opengebleven sectoren die ik als kind in Wisconsin zo vaak had gezien, stil en zo snel voorbijflitsend vanuit de auto, met plaatsnamen als Bergen en Oostburg en Vandenbroek.
Zoals de menselijke geest wel meer, wanneer hij overbelast dreigt te worden, zich juist aan iets onrustigs vastklampt – iets wat storend is maar daarbij tenminste concreet, en het obsessieve tobben daarover verkiest boven het blijven opvangen van de chaos – zo cirkelden mijn gedachten nu voortdurend rond het gevoel dat er iets niet klopte in de muzikale zetting van ‘Bist du bei mir…’ die ik in Zaal Vier had gehoord.
Brandpunt van mijn obsessie vormde de overgang, zoals ik die zoëven had menen waar te nemen, van ‘geh ich mit Freuden’ naar ‘zum Sterben’. De manier waarop de pianiste en zangeres in Zaal Vier die wending hadden vertolkt, verschilde aanzienlijk van hoe het in mijn gedachte moest verlopen. De melodie hadden zij vanaf ‘zum’ lager ingezet dan ik steevast en haast meezingend had verwacht; de bijbehorende, voor mij eveneens verrassende harmonisering leek de overgang in een geheel andere modus over te zetten: donkerder, naargeestiger. Juist bij die overgang naar Sterven was het in hun versie moeilijker aan te voelen in welke zin de maten daarna bij elkaar hoorden. Ik had altijd, door alle jaren sinds ik Oma voor het laatst in levenden lijve die passage had horen zingen, rondgelopen met een vrolijker klinkende zetting in mijn hoofd: vrolijk doch kennelijk niet objectief, voor anderen bestaand.
Was die ‘vrolijkere’ zetting bij mij ontstaan omdat ik Oma niet verdrietig wilde laten blijven, zoals zij in mijn beleving zo vaak was geweest, maar haar achteraf definitief gelukkig wilde weten? Ik ging na al deze jaren toch zo vaak met mijn vreugde naar haar toe, waar en zoals ik haar gekend had: in gevoelens.
Of kwam de verandering niet door de mechaniek van mijn herinnering maar toch door Oma zelf? Had zij het vrolijker gezongen omdat zij zich in mijn aanwezigheid vrolijker voelde? Plantten haar gevoelens zich nu voort waar ze eens vruchtbare bodem hadden erkend of uitgezet, bij mij?
Wie kan in zulke zaken een duidelijke richting bepalen? Wie zal zeggen van welke zijde een vruchtbare werking uitgaat? In het nooit meer voltooide gedicht dat Slauerhoff schreef bij de dood van zijn zoontje, heeft hij het over

...schaduw op een steen
van windbewegend lover...

Voor wie dit zuiver leest, komt de beweging van de wind boven een graf uit het tere sterfelijke lover voort, en niet, zoals de vroeden van alledag ons ongetwijfeld zouden verzekeren, andersom.

Terwijl ik dit alles overdacht, reden wij juist langs ‘Vandenbroek’. Hierheen was ik eens bij hoge uitzondering met Anny samen komen fietsen, op weg naar een delikatessen in Wassenaar waar wij loempia-vellen zouden kopen. Tijdens die fietstocht had ik haar gevraagd waarom zij indertijd als specialisatie de psychiatrie had gekozen.
        ‘Nou kijk’, had ze gezegd, ‘het meest belangrijke in het leven, de echte drijfveren, blijven meestal onbewust. Ons leven drijft maar op de oppervlakte. Wat daar ónder zich allemaal afspeelt, dát wilde ik weten!’
        Sinds dat gesprek had zij nauwelijks meer over psychologie of over innerlijke ervaringen gepraat, des te meer over de concrete feiten van deze wereld, hoe concreter hoe beter. Zouden, door gewenning en door de alomtegenwoordige maatschappelijke herhaling van de woorden die ervoor waren komen te gelden, de gebieden die eerst angstwekkend geheimvol maar ook zo passievol hadden geleken, steeds meer aangesloten zijn geraakt, steeds meer ingelijfd bij het bekende, vermeend veilige terrein dat zij eerst als te oppervlakkig had afgewezen?
Hoe dan ook, ik zou met Anny niet tijdens deze autorit maar ook nooit later – dat besefte ik opeens – kunnen praten over de hoop voedende schaduwversie van Sterven en Vreugde die ik met Oma of met haar aanwezigheid in mij deelde. Noch over het andere geheim dat ik met Oma deelde, een geheim dat een persoon was en een naam droeg: haar zoon mijn vader, die in de om ons heen gangbare taal ‘dood’ was en toch zich bij ons kon roeren, in of onder of tijdens of op de wijze van onze gevoelens.
        Nu ik erover nadacht, was volgens mij een van de dingen die Vader van Oma had geërfd een minder dan gewoonlijk gericht-zijn op de vorm, op het objectieve bestaan als zodanig. Vandaar wellicht een verminderde levensvatbaarheid, die vroeg of laat altijd een ramp niet zou hebben overleefd. Dat Oma tijdens haar leven in de anders zo gezellige keuken vaak een lied over de dood liep te zingen, was daar een aanwijzing voor. Al tijdens hun leven in het zichtbare staan zulke mensen maar met één been in deze wereld. Hun hart stoelt elders, wetend in het heden al van de dood, een dieper gelegen areaal dat heel veel verder reikt dan het beperkte en beperkende leven, al zijn hun lijf en leden daar nog niet aan toe. Niet het dagelijkse, uurlijkse voorbijstorten van het leven interesseert hen, maar de stroom die er zo onbepaalbaar onder blijft, zo anders en toch zo verwant, zoals het negatief al niet-lijkende toch lijkt op de foto waar het meestal de levenslang verwaarloosde, ondergeschoven tweeling van is.
En als ze overleden zijn, gaan zij door met bestaan op hun wijze, niet zozeer ná als na-bij, naast dit leven.
        Het was goed dat ik Oma niet meer kon vragen hoe zij over Sterven en Vreugde dacht. Hoe implicieter zij voortaan bleef, des te levensvatbaarder zou alles in mij blijven wat ik met haar kon delen.
Hierbij dacht ik aan mijn eigen versie van een vers uit Tau Te Tsjing hoofdstuk 71, dat ik voortaan zeker in stilte zou koesteren: ‘Wetend niet weten, is het allerhoogste’.
Om met Oma, om met Vader samen te blijven oplopen, moest ik hen nergens weten te staan, stil te staan, vast te staan. Ik moest ze laten gaan, met rust laten. Niet vér-laten, maar...laten. Ik moest ze laten varen.
Maar kon dat, een mens ‘laten varen’? Volgens mij had ik nog niemand horen zeggen: een mens ‘laten varen’. Maar dat zei nog niet zoveel, want ik was jong.
        Bovendien: ik zei het nu, toch?

De volgende dag, donderdag, was ik blijkbaar de enige die in ‘Indië’ thuis was. Zelfs tegen de avond, op het tijdstip dat Anny iedere week bij Mevrouw van Sassen een kop thee dronk voordat haar avonddienst begon, was het hele huis uitgestorven.
        Ook de volgende dag was er niemand behalve ik. Laat op de middag, toen ik thuiskwam, lag er wel een brief in mijn postvak. Er stond geen postzegel op en de envelop was niet dichtgeplakt. Ik las:

Beste Hal,

Kunnen wij morgen (zaterdag) om half twee bij Mevrouw van Sassen op de kamer samen een bord soep eten? Er zijn een aantal punten, w. o. zakelijke, die ik graag op korte termijn met je zou willen bespreken. Mag ik op je komst rekenen?

Met vriendelijke groet,
Anny

Gezien de verwijzing naar ‘soep’, vond ik het wel bijzonder raar dat ook die avond niemand thuis was. Normaal maakte Mevrouw van Sassen altijd op vrijdagavond de soep voor de volgende middag klaar. Zonder die geur in huis kon ik haast niet echt geloven dat het vrijdagavond was. Ik ging zelfs speciaal naar boven om te kijken of Geert er toch niet zou zijn. Op mijn kloppen kreeg ik geen antwoord. Het viel mij op dat er in de gang buiten zijn deur zes grijze plastic vuilniszakken stonden, allemaal tot barstens toe gevuld. De vuilnisophaling vond in onze buurt pas op dinsdag plaats.
        De volgende morgen was weer het hele huis leeg. Tegen half twee, toen ik bij Mevrouw van Sassen ging aankloppen, had ik al iedere poging gestaakt om te raden wat er gebeurd kon zijn.
        De keukendeur ging open en Anny kwam te voorschijn. Zij droeg een pan erwtensoep.
        ‘Ga maar naar binnen’, zei zij. ‘De deur staat open’.
        Ik deed de deur voorzichtig open. De vier soepborden stonden op hun gewone plaats, maar er was niemand in de kamer. Anny bracht de pan binnen en zette hem op het réchaud, dat al aangestoken was.
        ‘’t Is geen “home-made soup” hoor, ’t is maar een blikje van de Unox’.
        ‘Dat is toch ook lekker! Maar zijn wij de enigen? Waar is iedereen?’
        Zij antwoordde niet maar vulde twee van de borden met soep. Op tafel stond ook een mandje met vierkante witte boterhammen: geen dobbelsteentjesbrood.
        ‘Ja, ga maar beginnen’, zei zij. Zij kwam tegenover mij zitten en begon zelf van de soep te eten, langzaam en onwennig. Zij keek voortdurend naar de twee lege borden.
        ‘Hal’, zei zij eindelijk, ‘het zit zo. In de nacht van woensdag op donderdag, toen wij dus in Den Haag waren, is Mevrouw van Sassen met een hartaanval opgenomen. Zij is diezelfde nacht overleden’.
        ‘Anny!’ Onwillekeurig reikte ik over de tafel en legde mijn hand op haar pols, maar zij trok onmiddellijk haar hand terug en ging verder: ‘Ja. ’t Is geen fijn bericht, maar het is nu eenmaal zo, en ik ben er de afgelopen drie dagen en nachten vrijwel constant mee bezig geweest, dus ik hoop dat wij er nu niet al te veel over hoeven te praten, begrijp je?’ Ik knikte. ‘En nu is het eigenlijk zo, dat dit hele huis eigendom van mij is. Kijk, wij hebben het altijd zo gedaan dat iedereen Mevrouw van Sassen als de hospita beschouwde, dat vonden we een veel leukere verhouding nietwaar, maar in feite heb ik al jaren geleden het huis gekocht, eigenlijk om haar veilig te stellen, want zij kon op het laatst bepaalde kosten niet meer dragen.
        ‘En nu lijkt het mij beter, nu zij er niet meer is, als jij elders woonruimte kunt vinden. Wij zijn toch steeds goede vrienden geweest, dus ik verwacht zeker niet dat jij op dat punt moeilijk zult willen doen. Trouwens, als het je wat lijkt, weet ik nu al een nieuwe kamer voor je, in Oegstgeest, ook heel voordelig, daar hebben we het misschien dadelijk over’.
        Ik kauwde langzaam op een stuk brood: ‘En Geert?’
        Zij blies aandachtig op een lepel dampend hete soep. ‘Meneer Cornelisse verblijft op het ogenblik elders. Hij komt in ieder geval de eerste tijd niet terug. Ik heb gisteren al het een en ander opgeruimd, boven. Er lag nog een brief voor jou bij’. Van een klein tafeltje naast haar stoel pakte ze een gesloten brief op, die aan ‘Mr. H. Lofthouse’ was geaddresseerd. Het was duidelijk dat er een klein voorwerp was ingesloten, een sleutel of medaille of zoiets.
        ‘Ik zal hem zo straks openmaken’.
        ‘Zoals je wilt.’
        ‘Anny, mag ik je vragen wáár Geert is?’
        ‘Ik geloof zeker dat Meneer Cornelisse je dat zelf een keer zal vertellen, maar dat duurt waarschijnlijk nog wel even, ja?’
        Er zou dus niet over gesproken worden. Inmiddels dacht ik er ook niet meer over haar te vragen waarom zij vier borden had uitgezet. Ik zei dat ik altijd met enorm veel plezier in ‘Indië’ had gewoond, maar dat ik natuurlijk zou verhuizen als dat haar wens was. Op mijn vraag naar de begrafenis van Mevrouw van Sassen kreeg ik te horen dat die al in kleine kring had plaatsgevonden.
        Ik lepelde drie hele borden naar binnen. Het was nu eenmaal de laatste keer dat ik in ‘Indië’ erwtensoep zou kunnen eten. Toen wij klaar waren mocht ik zelf afwassen en de borden, ook de ongebruikte, terugzetten op hun gewone plaats in de keukenkast naast de verroeste theebus en het allang rugloze, met vergeeld plakband aan elkaar gehouden Keijner Kookboek.
        Onmiddellijk daarna ging ik naar mijn eigen kamer en maakte Geerts brief open. Er zat inderdaad een sleutel in. Ik vouwde de brief open en las:

Beste Hal,

        Hierbij nodig ik je uit om toe te treden tot de Werkgemeenschap van Scheepsbouwers. Het lidmaatschap van deze Orde is je op het lijf geschreven, zoals ik laatst tijdens ons gesprek aan de hand van zekere waarnemingen wel moest constateren. Dat je het er niet altijd gemakkelijk mee zult hebben, behoeft geen betoog. Ik heb je die avond nog gezegd: dit leven is oorlog. Hoeveel temeer geldt dit voor degene, die zich ervoor wil inzetten dat die oorlog ook nog eens gewonnen wordt – een voornemen overigens dat je in het bijzijn der wereldwijzen maar beter niet kunt uitspreken.
        De Grondslag van de Orde, samen met een schriftelijke gelofte die je kunt ondertekenen en vervolgens verbranden, vind je in mijn kamer op een vel papier, opgevouwen in de voorste hoofdbatterijtoren van de slagkruiser. Maak de pantsering even met een schroevendraaier los en je vindt het wel. Er staat niets in wat je zou kunnen stuiten. Het komt allemaal neer op één zin: werk waar mogelijk mee. Eigenlijk weet je het nu reeds allemaal, maar je weet nog niet dát je het weet, en bij het leren zíen wat je nu nog maar in-ziet, kan de Orde je van dienst zijn.
        De eerste opdracht is: een cirkel tekenen. Het is onvermijdelijk dat dit je eerst na lange jaren gelukken zal. Houd daarbij moed. Denk maar aan de velen vóór jou, die deze Vaart hebben beproefd. Het spreekt vanzelf, dat je te allen tijde op mijn steun kunt rekenen, hoe moeilijk je je dit thans ook kunt voorstellen.
        Langs zekeren weg zullen tezijnertijd nadere aanwijzingen je bereiken. Uiteraard zal het je dan vrijstaan, als volwaardige Bouwer, daar al dan niet op in te gaan.
        Het druist ten enenmale tegen de geest onzer Orde in, met niet-ingewijden zelfs over ons bestaan te spreken. Doch aan dit voorschrift zul jij je wel zonder moeite kunnen houden.
        Vaarwel, en tegelijk: welkom aan boord!

Geert

Mijn hart bonsde en ik was duizelig. Ik was buiten mijzelf van nieuwsgierigheid naar de Grondslag van de Orde, maar iets zei mij dat ik pas naar Geerts kamer moest gaan om te kijken als Anny niet thuis was. Het was nu zaterdagmiddag. Anny bracht altijd het hele weekend thuis door. Op z’n vroegst over twee dagen dus…Ik ging de stad in en kocht brood, kaas, appels en jenever. Terug in ‘Indië’ sloot ik mijzelf in mijn kamer op en leerde in twee dagen het stencil ‘Inleiding Japanse Grammatica’ van Professor Wolf uit het hoofd.
        Maandagmorgen, toen Anny weg was, verschafte ik mij met de sleutel toegang tot Geerts kamer. Er was duidelijk veel weggehaald. De schilderijen bijvoorbeeld, de tekening van Ontwerp 1047, alle tekeningen op de tafel. Ik ging direct naar de ‘haven’, haalde het zeil opzij – en zag dat de slagkruiser weg was! Ik verzekerde mij er nog even van dat de ‘Kortenaer’ nog altijd wél op de vensterbank stond, evenals het passagierschip op de schoorsteen en de schoener op de secretaire. Er zat niets anders op: ik doorzocht de hele woning, ook het miniscule slaapkamertje dat ik nooit eerder gezien had. Ik deed er wel een uur over, maar de slagkruiser was en bleef weg.
        Toen ik de deur weer achter mij dichtdeed, had ik even een impuls om de vuilniszakken, die er nog altijd stonden, open te maken. Maar iets weerhield mij ervan ze zelfs maar aan te raken; bovendien leek het mij ondenkbaar dat iemand alle andere modellen zou laten staan en juist de prachtige slagkruiser zou weggooien.
        Die avond ging ik naar Anny toe onder het mom de sleutel van Geerts kamer in te leveren. Ik zei dat hij mij in zijn brief gevraagd had iets na te zien op de slagkruiser, en vroeg of zij wist waar het model was gebleven.
        Afwezig glimlachend zweeg zij tot ik het erbij liet.
       
Binnen een week was ik naar Oegstgeest verhuisd. De weg van mijn nieuwe kamer naar het Instituut ging nu met een grote bocht om de Stille Overvaart heen, en eerlang had ik alle contact met ‘Indië’ verloren. Wel bleef ik de neiging houden – als ik eerlijk ben, heb ik die nu nog – om op zaterdagmiddag een blik maaltijdsoep open te maken, ’s zomers, ’s winters, het doet er niet toe.
        Geerts brief heb ik altijd bewaard. Ik heb er praktisch niets mee gedaan, behalve dat ik in de loop der jaren een paar keer ben gaan zitten om, min of meer voor de grap, te proberen een cirkel te tekenen. Hij zei zelf dat het mij niet mee zou vallen, en dat is ook gebleken.
        Wel ben ik nog één keer langs ‘Indië’ geweest, veel later, toen ik er al een jaar of tien, twaalf niet meer woonde. Het was op een zaterdagmorgen, toen ik toch in de stad moest zijn, één van die heerlijk zonnige ochtenden in april wanneer je eindelijk een beetje overtuigd begint te raken dat de zomer er toch echt weer aankomt, dat er weer licht en warmte in de wereld zullen zijn. Ik moest eigenlijk aan de overkant op de Vrije Overvaart zijn, maar misschien was ik door de plotseling doorbrekende warmte een beetje nostalgisch geworden, of door de lichtstippeltjes op het water zoals ik ze in mijn jongere jaren zo vaak had gezien. In ieder geval maakte ik plotseling een omweg via ‘Indië’.
        Ik kwam eerst langs de kant van het huis waar ik zelf gewoond had. Er stonden allemaal meubels die ik herkende: van Geerts kamer vroeger, boven. Toch zag het er niet echt bewoond uit. Ik vermoedde dat de boel daar hoogstens was neergezet om krakerij te voorkomen. Even de voordeur langs, en ik stond weer voor de kamer die van Mevrouw van Sassen was geweest, waar ik vroeger zo vaak op zaterdag was aangeschoven. Zo te zien was er niets veranderd. In al de tussenliggende jaren, zo leek het, was er niet één ingelijste foto van de schoorsteen weggehaald, niet één vaas verwijderd. Nog altijd lagen er damestijdschriften en Rechter Tie-romans in de lectuurbak naast de fauteuil.
        Het duurde even voor ik doorkeeg dat er iets toch wél anders was. Achter, in de hoek, boven op de televisie, half wegvallend tegen de matbruine muur, stond een grijs scheepsmodel: een zwaar oorlogsschip met twee schoorstenen en drie drielingtorens. Voor de rest was alles nog hetzelfde, tot en met de vier soepborden die op de tafel in het zonlicht klaarstonden, blinkend wit met felle rode randen.