Brief bio sketch

Lloyd Haft (1946- ) was born in Sheboygan, Wisconsin USA and lived as a boy in Wisconsin, Louisiana and Kansas. In 1968 he graduated from Harvard College and went to Leiden, The Netherlands for graduate study in Chinese (M. A. 1973, Ph. D. 1981). From 1973 to 2004 he taught Chinese language and literature, mostly poetry, at Leiden. His sinological publications include Pien Chih-lin: A Study in Modern Chinese Poetry (1983/2011; published in Chinese translation as 发现卞之琳: 一位西方学者的探索之旅 in 2010) and Zhou Mengdie’s Poetry of Consciousness (2006).



He has translated extensively into English from the Dutch of Herman Gorter and Willem Hussem, and from the Chinese of various poets including Lo Fu, Yang Lingye, Bian Zhilin and Zhou Mengdie.



Since the 1980s he has also been active as a poet writing in Dutch and English. He was awarded the Jan Campert Prize for his 1993 bilingual volume Atlantis and the Ida Gerhardt Prize for his 2003 Dutch free-verse readings of the Psalms (republished by Uitgeverij Vesuvius in 2011). His most recent book of poems (in Dutch) is Deze poelen, deze geest (2008). His newer poems are published (some republished) on this blog.



After early retirement in 2004, for a number of years Lloyd Haft spent much of his time in Taiwan with his wife Katie Su. In addition to writing and translating, his interests include Song-dynasty philosophy and taiji quan. He sings in the choir of a Roman Catholic church of the Eastern Rite in The Hague.



Saturday, January 29, 2011

Zware schepen (verhaal: deel 2 van 3)

(uit Optekeningen over het Uitzonderlijke uit een Sinologisch Studeervertrek 漢齋誌異 van Lloyd Haft)

Een paar dagen later, het zal wel rondom vijf uur geweest zijn, toen het daglicht nog zwak langs de singel schemerde, kwam Geert bij mij aankloppen: ‘Zullen wij eens boven bij mij een paitje drinken?’
        Ik keek hem onbegrijpend aan.
        ‘Ja, nu plaag ik je een beetje hoor’, zei hij; ‘dat woord ken jij natuurlijk niet. Een pait – dat betekent “bitter” in het Maleis. ’t Is gewoon een borreltje. Een paitje’.
        Ik was blij en heel nieuwsgierig, want ik had nooit eerder zijn woning van binnen gezien. Wij gingen naar boven. Hij liet mij binnen door de deur met het koperen plaatje; en terstond bevond ik mij in een omgeving die mij uiterst vertrouwd voorkwam. Net als ik vroeger, had hij op strategische plaatsen in de kamer scheepsmodellen neergezet: in de vensterbank een torpedobootjager, boven op de gesloten secretaire een driemastschoener onder vol zeil, op de schoorsteen een prachtig passagierschip van wel een meter lang.
        Boven de schoorsteen hing een aquarel van een schip; maar toen ik het van dichtbij bekeek bleek het niet zozeer de vorm als de suggestie van het schip te zijn: het water was nog wel realistisch afgebeeld, maar daarboven, waar de romp moest zijn, kruisten lichtere en donkerder blauwe lijnen elkaar in een samenspel dat bijna drie-dimensionaal aandeed. Nog hogerop was het een duizelingwekkende spiraal geworden, naar boven toe steeds breder wordend, tot de hele hemel erbij betrokken leek. Met enkele krasse witte vegen werd dit alles doorkruist; dat was het sloependek, waar als omgevallen halvemaantjes, als lichtflitsen op water de bootjes zweefden. Uit het geheel kwamen cirkels en ellipsen naar voren, geen deel van het schip uitmakend maar een autonoom systeem van licht en beweging, kennelijk samenhangend maar waarvan je de precieze omvang niet kon aangeven, alsof er nog veel meer ruimte nodig zou zijn, buiten het schilderij, om het te begrijpen.
        ‘Wat een schilderij!’ zei ik. Ik zag dat het in de rechter benedenhoek met potlood was ondertekend: ‘Cornelisse’.
        ‘Dat is de M. S. “Oranje”. Het vlaggeschip van de Stoomvaart Maatschappij Nederland’.
        ‘Heel beweeglijk’.
        ‘Ja maar die beweging, daar gaat het toch om? Je bent die vorm, die klomp niet, ben je gek! Je bent juist die beweging, je bent het varen zelf!’
        Achter hem, aan de andere kant van de kamer, sloeg een prachtige antieke staande klok met een diep galmend geluid het kwartier. Hij wachtte tot het geluid helemaal weg was en zei: ‘Maar wat kan ik voor je inschenken? Hou je van een Hollandse borrel?’
        ‘Nou en of’.
        ‘Ik heb een oudje voor je, een echte Leidse. Is dat goed, ja?’
        ‘Heerlijk’.
        Uit een antieke kast kwamen twee glaasjes en een fles Oude Hartevelt te voorschijn: ‘Ga maar zitten, waar je wilt’.
        Ik ging vlakbij de schoorsteen zitten, in zo’n fauteuil met een verstelbare houten rugleuning, van het soort dat men toen in Holland weleens ‘rookfauteuil’ noemde. ‘Kan ik het schilderij goed zien’, zei ik. ‘Schilder je wel meer?’
       ‘O, dat ding heb ik niet gemaakt hoor, dat is van mijn broer’. Hij ging zitten op een stevige Windsor-stoel tegenover mij. ‘Tjongejonge, zoals die kon schilderen! Proost, trouwens!’
        ‘Prosit’.
        ‘Hè joh, doe mij een lol, zeg nou gewoon “proost”. “Prosit”, dat klinkt mij altijd zo mofferig in de oren – “ein Prosit der Gemütlichkeit” en zo. Hoe kom je erbij om het zo uit te spreken?’
        ‘Ik weet het niet. Misschien heb ik het inderdaad uit Duitse liedjes, of zo’.
        ‘Nou ja hoe dan ook. Proost hoor! – maar ik had het over mijn broer hè, dat-ie zo goed kon schilderen. Onvoorstelbaar. Maar ja, hij heeft niet zo lang de kans gehad, ja? Hij zat bij de marine, bij Doorman in die Combined Striking Force, zegt dat jou wat?’
        ‘Jawel, een beejte’.
        ‘Nou ja, hij is toen in de Javazee gebleven. Hij zat op de “Kortenaer”, da’s die daar’ – hij wees naar de torbedobootjager in de vensterbank. Wij nipten allebei van de jenever. ‘Maar ja god wat wil je, die jongens hadden geen zware schepen! Ga d’r maar aan staan, een hele Japanse invasievloot op komst – meerdere – en wat heb je? Paar kruisers. Paar jagers. That’s all. ’t Is toch waanzin?!’
        Ik keek weer naar het schilderij, hoe zelfs op enige afstand het beeld overheerst werd door de cirkels, de ellipsen, de elementen die niet uit de vorm van het schip voortkwamen.
        ‘ – maar de ellende is, als het nou maar allemaal éven uitgesteld had kunnen worden, dan hadden ze wél veel zwaarder geschut gehad. Want de plannen lagen al klaar. Voor drie slagkruisers. Ontwerp 1047 – het was in principe al goedgekeurd, in 1940. En als ze nou maar wél die slagkruisers hadden gehad – met achtentwintig-centimeter kanons! – dan had Ons Aller Admiraaltje Nishimura wel een toontje lager gefloten. Jongen, we hadden ze de – grónd – in – ge – naaid!’ Hij leunde voorover, met beide onderarmen op zijn knieën, en hield het borrelglaasje stevig in beide handen vast. Met grimmig opeengeknepen lippen haalde hij een paar keer diep adem.
       ‘Ja – ’ zei hij eindelijk, met nu weer bedaarde stem, ‘het zegt jou natuurlijk niet zoveel, ’t is nu weer een heel andere tijd. Maar dat is het ’m juist. Ik vind het zó érg dat iedereen doet alsof die “oude tijd” er niet meer is. Gewoon afgelopen, bye-bye, nergens gebleven. ’t Is wel jammer geweest, maar goed, we keren om en we gaan vrolijk verder. Dat is het juist, zie je, want die zogenaamde “oude tijd”, ja? – en nu was de bitse toon terug – ‘die ís namelijk nog helemaal niet afgelopen. En die kán nog niet afge-lópen zijn, want hij is nog niet afge-rónd, voel je ’t verschil? Men is er nog niet klaar mee. Wil je nog een beetje? Kom maar hier, met je glaasje’.
        Hij pakte de fles, die op de grond naast hem stond, en schonk ons allebei nog een glaasje in. ‘Tja – o, by the way, jij rookt wel een sigaartje, hè?’ Hij stond op, liep naar de schoorsteen, en reikte mij een houten kistje aan: ‘Dit is niet het beste merk van de wereld hoor, maar ik vind ze wel lekker. Ze heten eigenlijk “Sumatra Miskleur”, maar ik noem ze altijd mis-kleun-tjes. Sumatra mis-kleun, begrijp jij dat?’
        ‘Jawel’, zei ik, ‘ik geloof het wel’, hoewel ik het helemaal niet begreep.
        ‘Ik vind het enorm knap van je hoor, zoals je al met dat Nederlands omgaat!’ Hij nam zelf ook een sigaar en gaf mij de aansteker.
        Van waar ik zat kon ik, door de halfgeopende tussendeuren heen, nog net iets zien van het belendende vertrek – vermoedelijk de slaapkamer. Vanaf de eerste paar halen die ik nam, trok de rook van mijn sigaar sterk naar die kamer toe. Ook Geerts sigaar leek, nu hij tegenover mij zat te roken, op een wierookstok die voortdurend lange, blauwe rookzuilen deed opstijgen in de richting van de grote, donkere ruimte achter hem.
        ‘Er zijn maar heel weinig buitenlanders die zo goed Hollands spreken als jij. Echt waar hoor, al hebben ze twintig jaar hier ge- ’
        In de kamer achter hem stond geen licht aan, maar hoe langer ik die richting in staarde, hoe meer ik meende een mensengestalte te zien, staande vlakbij de deur.
‘ – woord als “miskleun” begrijpt, terwijl de doorsnee buitenlander niet eens – ’
Het was volgens mij de gestalte van een kleine, donkere vrouw die een kindje in haar armen hield.
        ‘ – en het zogenaamde moderne taalonderwijs, al die flauwekul, de méthode nature en zo, jeez- ’    
        Ik had het ineens in mijn onderlijf eigenaardig koud, alsof ik tot mijn knieën in koud water zat. Het voelde als een stroom in de richting van de kamer daar achter. Ik voelde het zo duidelijk dat ik zelfs nog even heel goed naar de vloer keek, of er echt geen water was. Tegelijkertijd voelden mijn nek en achterhoofd juist hinderlijk warm, en zeer droog.
        ‘ – bijvoorbeeld met je over schepen wil praten, dan weet je meteen wat ik bedoel, ik hoef je niet alsmaar uit te – ’
        Het leek wel of de sigaren steeds overvloediger rookten. De rookslierten van onze twee sigaren voegden zich boven Geerts hoofd in één geweldige stroom samen en vloeiden met een grote snelheid door naar de ruimte achter de deuren.
        ‘ – zo’n Maleis woord als pait nog niet kent, en – ’
        ‘Geert! Sorry dat ik je in de rede val, maar moet je die rook toch zien! Vind je ’t niet erg als dat allemaal in je slaapkamer terecht komt?’
        ‘Welnee! Mijn vrouw zei vroeger altijd: tabak, da’s net menjan, ik kan er niet genoeg van krijgen! Menjan, dat is dus wierook in het Maleis. Kan ik niet genoeg van krijgen, zei ze, en: je moet ook láter weleens een sigaar voor mij opsteken, zei ze. Ja, dat zei ze’. Hij wendde zijn ogen van mij af, draaide zich om en keek naar de snel vlietende rook. Het koude, niet thuis te brengen gevoel in mijn voeten en onderbenen werd met de seconde erger.
        Opeens draaide hij zich weer glimlachend naar mij toe: ‘Wil je in die kamer een kijkje nemen? Kom maar, kan ik je mijn haventje laten zien’. Op dat ogenblik zag ik weer een flits van een mensengestalte tussen de deuren. Het was een jonge, blonde man in een wit marine-uniform. Hij keek in mijn richting; ik dacht zelfs even dat hij mij zag, en nauwelijks merkbaar glimlachte.
        ‘Geert! Wie is die man!?’ Ik schrok van mijn stemgeluid: zo opgewonden, zo totaal anders dan de volstrekte kalmte van Geert, alsof de twee stemmen niet van nabij met elkaar in gesprek waren maar door een holle, grotachtige ruimte heen die de klanken opnam en versterkt maar vertekend weergaf.
        ‘Mijn broer’, zei hij rustig. ‘Goh, wat leuk, dat je kunt zien dat het een mens is! Dat ziet anders bijna niemand hoor, want ik schilder helemáál niet realistisch. Kom maar! Hij stond op, draaide zich op zijn gemak om, liep naar de deuren toe, en bleef staan vóór een van de kleine lijsten die aan weerskanten van de deuren aan de muur hingen. Inmiddels zag ik de man in marine-uniform niet meer.
        ‘Kijk’, zei hij toen ik erbij kwam. ‘Dat is nou mijn portret van Hein, mijn broertje dus’.
        Het ingelijste werkje dat hij aanwees was zwart-wit en uiterst eenvoudig, kennelijk met een penseel op rijstpapier of een soortgelijk materiaal geschilderd. Het leek een nadere uitwerking te zijn, een verdere verfijning van de cirkels en ellipsen in het schilderij van de “Oranje”. Ditmaal waren de vormen minder in aantal en, zo leek het, des te krachtiger, met des te meer beslistheid aangegeven. Ook waren zij nu allemaal gebroken, open, slechts gedeeltelijk in beeld en daarom voor de verbeelding juist groter van omvang.
        ‘Dus deze heb jij zelf gemaakt’, zei ik. Het was echt alsof er in de kamer tot ongeveer kniehoogte koud water stroomde, waar ik in stond.
        ‘Ja. Dat idee van cirkels heb ik natuurlijk van hem overgenomen, dat was eigenlijk zijn techniek. Maar ik heb het verder gebracht, ik heb er iets anders mee gedaan’.
        ‘Ja, dat zag ik ook direct’.
        ‘Zo gaat het ook altijd, ja? Je krijgt een gegeven van iemand anders, maar je werkt het op jouw manier uit. En op een gegeven moment wordt jouw uitwerking weer door iemand anders verder gebracht. Op de les vroeger, tijdens onze opleiding, zeiden ze weleens: kijk goed wat je doet, want alles wat jij nu tekent, daar moet straks een ander mee varen’.
        ‘Op deze sluiten de cirkels niet meer’.
        ‘Nee. Zo is het ook, toch? Op een gegeven moment wordt de vorm onderbroken, maar dat is juist omdat de beweging zo groot is. De cirkel blijkt veel groter te zijn, daarom kun je hem niet meer zien, als zodanig. Kijk, en die’ – hij wees naar de andere kant van de deur, waar een nog eenvoudiger schilderij hing – ‘die is van mijn vrouw. Zie je, nog simpeler, maar ook: nog sterker. Nog maar één lijn, één curve – maar wat voor een! Zie je, die is al veel verder, die maakt al deel uit van een veel grotere cirkel!’
        Bij het uitspreken van die laatste woorden was het alsof in zijn stem, onmerkbaar haast, iets brak. Ik had gemerkt dat op beide schilderijen een symbool was getekend, rechts onder, op de plaats waar je een handtekening zou verwachten: een soort ineenvlechting van een anker, een winkelhaak, en een passer.
        ‘Die ondertekening past er ook heel goed bij’, zei ik. ‘Heeft die een betekenis?’
        ‘Nou ja, ondertekening – dat is, ach – jawel, ik geloof dat ik jou dat best mag vertellen, ja. Kijk, dat is eigenlijk een embleem, van een organisatie. Wij noemen het De Werkgemeenschap van Scheepsbouwers. Het wil dus eigenlijk zeggen dat je wát je maakt, in feite nooit alléén maakt, maar in gemeenschap’.
        ‘Een soort tekenaarsgilde’.
        ‘Nou ja tekenaars – kijk. De Werkgemeenschap is oorspronkelijk uit de vrijmetselarij voortgekomen. Ik ben namelijk vrijmetselaar geweest. Ja, geweest zeg ik. Begrijp me goed, ik heb er helemaal niets tegen. Maar ik merkte gaandeweg dat het allemaal een beetje aan de vorm-kant bleef. Ze geloofden er niet écht in.
        ‘Ja, ik heb er een hoop van geleerd hoor, daar niet van. Vooral wat dat tekenen betreft, het belang daarvan. Het gaat natuurlijk niet om die lijnen op dat papier, maar die werkzaamheid, wat je daarmee opbouwt, dat is zo belangrijk. Alleen al dat je een cirkel leert tekenen, een echte. Het klinkt eenvoudig, maar daarvoor ben je wel vijfenveertig! Minstens! Mijn broer, die zei altijd: als je geen cirkel kunt maken, kun je ook geen mens maken.
        ‘Ja, hij was er ook al mee bezig, op een veel jongere leeftijd dan ik. Misschien voelde hij aan dat hij niet meer zoveel tijd zou hebben. Maar hij heeft het nog eerder doorgehad dan ik: ik bedoel dat je de contacten, wat wij noemen de doorgave, dat je dat niet via een bekende organisatie hoeft te ontvangen. Als je zelf maar arbeidt, dan komt het wel. Als je trouw blijft, als je goed werkt aan je tekening, dan merk je aan bepaalde dingen dat je daar toch niet alleen in staat.
        ‘Dus op een gegeven moment hebben we, naast de gewone orde, ook de Werkgemeenschap opgericht, mijn broer en ik. Maar ik zal je nu het haventje laten zien, dat vind jij vast hartstikke leuk!’
        Hij ging mij door de deuren vóór en deed en licht aan. Terwijl ik zelf de deuren passeerde, had ik absoluut het gevoel alsof ik vanuit water weer op land overstapte. In de kamer waar ik nu binnenkwam was het veel lichter dan in het vertrek dat wij net hadden verlaten; het voelde ook droger en warmer. De kilte die daarnet mijn voeten en onderbenen had omklemd, was op slag weg. Wel voelde de lucht van achter ons, die door de deuren sterk meetrok en de laatste restjes rook nog naar binnen voerde, koud aan.
        Tegen de verste muur stond een grote houten kast. Daarnaast bleek een deuropening te zijn waar een bamboegordijn voor hing; kennelijk lag er nog een kamer achter, die dan de slaapkamer zou zijn. Langs één zijmuur stond een lange tafel met daarop bureaulampen, grote vellen papier, en tekengerei. Aan de muur boven de tafel hing een enorme tekening van een schip, niet ingelijst maar op een plaat hardbord gemonteerd; midden onder stond in prachtige blokletters: ‘Buitenaanzicht Slagkruiser Ontwerp 1047’.
        Langs de hele muur daartegenover liep een soort breed verhoog met donker gebeitste wanden, wel ruim een meter breed en ongeveer vijftig centimeter diep, aan de bovenkant bedekt door een strak gespannen stuk blauwgroen zeil, dat in de vier hoeken met haakjes vastzat.
        ‘Wacht even’, zei Geert, ‘ik zal het zeil er even van afhalen’, en bij het horen van die woorden werd zonder waarschuwing mijn hele wezen overvallen door een akelig gevoel van schuld, schande, in gebreke zijn. Zijn stemgeluid was als een signaal buiten de hoorbare woorden om, dat mij tot de orde riep na iets vreselijks, iets liederlijks en verfoeilijks, na een niet met woorden te omschrijven schanddaad die ik daarnet, onbewust en al, zou hebben gepleegd. De ruimte van waaruit hij sprak was warmer, droger, beter belicht, van duidelijker vormen vervuld, dan de sfeer waarin ik mij zoëven had opgehouden: en ik vond mijzelf verschrikkelijk. Ik had de vrouw, het kind, de man in het marine-uniform niet moeten zien; ik had geen mensen moeten zien waar helemaal geen mensen waren; ik had niet het gevoel moeten hebben dat ik ‘koud water’ doorwaadde, of wat ook van dien aard.
        Verstandelijk stond ik niet volledig machteloos tegenover dat schuldgevoel, want Anny had mij weleens verteld dat kinderen die heel vroeg plotseling hun vader verliezen, het ondragelijke verlies voor zichzelf verklaren door maar te concluderen dat zij zelf iets vreselijks moeten hebben gedaan, waarvoor hun vader ze nu straft door ze voor eeuwig te verlaten. Dat het gevoel gepaard ging met zo’n volstrekt overtuigend gevoel dat ik in water stond, kon ik minder begrijpen; noch heb ik in alle tussenliggende jaren ooit daarvoor een verklaring kunnen vinden.
In ieder geval moet ik volledig in de ban zijn geraakt van dat gevoel en van de vreemde maar bindende logica ervan. Alleen zo valt het achteraf te begrijpen dat op het ogenblik dat Geert twee hoeken van het zeil losmaakte en het zeil begon te verwijderen, zodat ik het water eronder begon te zien, het voor mij een uitgemaakte zaak was dat ik straks onder dat water mijn vader zou zien liggen. Juist in die opwelling van kinderlijke vreugde die het plotselinge zien, onder het zeil, van het water met pieren en loodsen en schitterend nagemaakte havenoutillage bij mij opriep, dacht ik opeens dat er één ding bovenal vast stond: mijn vader is dood, mijn vader ligt onder het water en ik heb hem daar nooit gezocht, nooit gezien, nooit meer uitgehaald. Ik wist meteen ook dat ik het nu voor het eerst in mijn leven écht wist. In één seconde begreep ik ook dat het niet om deze bak, dit water ging maar om alle water, alles wat ik ooit zien zou – dat daar altijd ergens onder, daar ergens achter mijn vader zou liggen. Het schuldgevoel van daarnet begon in een loodzwaar verdriet om te slaan.
        Inmiddels was het hele zeil eraf. De bak was inderaad enkele centimeters diep met water gevuld, waarin allerlei maritiem speelgoed dreef. Het centrum van belangstelling was natuurlijk het grote, grijs geverfde oorlogsschip met twee schoorstenen en grote kanons in drie drielingtorens. Van de tekening aan de muur herkende ik het onmiddellijk als een Nederlandse slagkruiser.
        ‘Wacht’, zei Geert, ‘ik zal even het zendertje pakken, dan kunnen we d’r een tochtje laten maken.’
        Waarom was ik naar Europa gekomen? Dat was een tocht over water geweest.
        ‘ – echt een behoorlijke snelheid ontwikkelen, maar hier kan dat natuurlijk niet – ’
        Waarom had ik Chinees en Japans als studie gekozen? Ook dat was in zekere zin een tocht over water, een zoeken naar de uitersten der aarde.
        ‘ – in volle vaart, zie je?’ Het schip bewoog zich recht door het water. ‘De hoofdbatterijtorens kunnen ook draaien, kijk –’
        Was ik Oriëntalist geworden om mijn vader te vinden? – mijn vader, die naar het Oosten was gezonden en er vroegtijdig gestorven was, die het gezien had maar het niet meer had kunnen beleven, bij wie het Oosten een of andere vitale vraag moest hebben wakker geroepen, die hij niet meer had kunnen beantwoorden. Ik zou de vraag nooit meer weten, maar ik was naar de andere kant van de oceaan gekomen om voor hem het antwoord te vinden.
        ‘ – zelf ook eens proberen? Kijk, zo werkt-ie’.
        Geert droeg het zendertje aan mij over en wij keken allebei toe, hoe ik de slagkruiser in het kleine bassin heen en weer liet varen.
        ‘’t Is een slagkruiser, zie ik’.
        ‘Ja, één van de drie. Ontwerp 1047. Er is weleens zo’n ontwerptekeningetje van gepubliceerd, in het Marineblad, maar ik heb het helemaal uitgewerkt. Ik heb er een schip van gemaakt’.
        Ik keek hoe het kleine gevaarte met een zoemend geluid het ondiepe water doorkliefde.
        ‘Kijk, da’s nou een prachtig voorbeeld van hoe het werkt. Ons ontwerp was oorspronkelijk gebaseerd op een Duits schip, de “Gneisenau”. Goed, de Duitsers hadden een andere opvatting over de voortstuwing, onze schepen moesten langdurig in de tropen kunnen opereren enzovoorts, dus er waren wat verschillen, maar zo’n soort idee was het wel, aanvankelijk. Maar de “Gneisenau”, die was ook al op een eerder ontwerp gebaseerd: de “Mackensen”, net zoals de “Bismarck” eigenlijk op de “Baden” terugging. Ja jongen, niets komt uit het luchtledige: ’t is allemaal weleens door een mensenbrein gegaan.
        ‘Zo’n tekening ligt niet stil, ja? Als er eenmaal echt aan gearbeid is. En je weet maar nooit wat er later van terecht komt, of bij wie. Zo’n Duitse knaap, die ontwerpt de “Mackensen”, nou, en om allerlei redenen wordt die nooit afgebouwd. Maar de “Gneisenau” wel, veel later. En via de 1047 hou jij nu dat zendertje in je hand. Kijk, het schip zelf, of dat ooit van stapel komt, daar kan altijd iets tussenkomen. Maar het idee, daar gaat het om: dat je in je eigen tekening gelooft, dat het geen dood ding is.
        ‘Net zo: mijn broer krijgt op een gegeven ogenblik het idee om de Werkgemeenschap op te richten. Ik werk dat uit, ik maak op die basis een tekening, en dertig jaar later zie jij aan de tekening dat hij het is. Dat zag je al voordat ik het je vertelde. ’t Is toch prachtig?’
        Als je ’ns wist hóe ik zag dat hij het was, dacht ik. Maar alleen al bij de gedachte om het hem te vertellen, begon ik me weer zo eigenaardig schuldig te voelen, zo verdrietig en koud. Ik knikte alleen maar.
        Inmiddels had hij het commando weer overgenomen en het schip weer op zijn ligplaats teruggebracht.
        ‘Zal ik je nog de tekeningen laten zien?’
        Ik liep mee naar de tafel toe. Hij deed alle lampen boven de tafel aan, schoof een asbak naar mij toe, en begon een selectie te maken uit de talrijke vellen tekenpapier.
        ‘Er zijn drie slagkruisers, volgens het plan. De eerste heb ik dus al af; wat ik daarvan geleerd heb, dat kan ik toepassen op de tweede en derde. Kijk, dit is een soort “artist’s conception” van de tweede’.
        Hij gaf mij een groot wit vel aan, waarop alleen één korte, krommende lijn stond. Het leek op het portret van zijn vrouw, maar ditmaal was de lijn nog korter, de curve nog duidelijker een schematische afkorting van een nog groter geheel. Aan de ene kant kon ik mij nauwelijks voorstellen dat Geert dit serieus als een tekening beschouwde; aan de andere kant kon ik niet ontkennen dat de vlakverdeling absoluut onverbeterbaar was; de plaatsing van de lijn in het veld getuigde van hetzelfde meesterschap als de positionering van één enkele rots in een Boeddhistische kloostertuin. Ik meende mij een uitspraak van Mondriaan te herinneren: dat als één punt met zekerheid kon worden vastgesteld, een heel schilderij daarmee was aangegeven.
        ‘Kijk, en dit is de opstelling van de voortstuwing. Twee sets, vandaar de twee schoorstenen’. Wat ik ditmaal zag waren twee ellipsen, de één krachtiger aangegeven dan de andere, die elkaar overlapten. Zij waren geen van beide wiskundig exact getekend, maar juist de afwijking gaf een nog sterker gevoel van de aanwezigheid van de vier brandpunten. Wederom was het voor mijn gevoel niet helemaal een tekening te noemen; maar het was volmaakt.
        ‘Kijk, het lijkt misschien een beetje abstract, maar juist als je dit soort dingen goed krijgt, in dit stadium, dan is de rest een koud kunstje. Kijk, de verdere afwerking: paar dekjes boven op elkaar, pantsering eromheen enzovoorts, dat kan iedere boerenlul. Maar ik ben de enige in Nederland die echt hieraan werkt. Daarom moet het goed gebeuren, ja? – hier, aan deze tafel. En als het allemaal af is, dan kan ik eindelijk terug. Naar Batavia’.
        ‘Je zegt “Batavia”; jij zegt nooit “Djakarta”. Of is dat niet helemaal hetzelfde? Ik ben nog een beetje vaag in een aantal van die dingen’.
        Zodra ik dit gezegd had, wou ik dat iemand mijn tong had afgesneden. Geerts hele motoriek was veranderd. Zijn rug was net een stuk beton, licht gekromd maar keihard. Hij hield zijn sigaar voor zich uit, enkele centimeters vóór zijn gezicht, met de askegel naar boven, en keek er onophoudelijk naar terwijl hij hem gestadig tussen zijn vingers liet ronddraaien. Hij sprak weer met die bitse stem: ‘Hal, ik heb helemaal niet gehoord wat jij daarnet zei, dat woord. Ik heb het niet eens gehoord. Maar dat ligt niet aan jou, ben je gek. Dat is de tijd. Dat is deze tijd. Jij zegt dat jij vaag bent, maar dat ben jij niet, dat is de tijd. De hele tijd is vaag, het hele Koninkrijk der Nederlanden is daar behoorlijk vaag over! En als mén al ja-ren geleden niet zo vaag was geweest, dan waren er een hoop dingen wel anders uitgepakt, neem dat maar van mij aan!
        ‘Ja gadverdamme, en zal Batavia niet eens meer Batavia heten maar iets anders, zoals een stelletje van die “long-haired warriors” vindt dat het beter klinkt, in die prachtige zogenaamde nationale taal van ze die in feite gewoon hier in Leiden helemaal uitgedokterd is, gewoon bij jullie op de universiteit, ja? – echt waar hoor, want zelfs dat konden ze niet. En daarvoor was Nederland weer wél goed genoeg.
        ‘Nee hoor, Batavia is gewoon Batavia. Kijk, Vier wordt – Mevrouw van Sassen dus, die wordt er een beetje overstuur van, als ik die dingen gewoon zeg zoals ze zijn, maar joh, die snapt er toch de ballen van! Da’s ook een manier om te overleven, toch? Gewoon ontkennen. Gewoon zeggen dat het niet bestaat.
        ‘Kijk, de laatste keer dat ik mijn broer zag hè? Toen wisten we dat-ie ging varen, en hij had al zo’n voorgevoel. Ik zei Hein, jongen, tot gauw weer. En toen zei hij: en waar zal dat zijn, in de hemel? En toen zei ik: nee, dat wordt gewoon weer hier, in Batavia, mark my words. Zie je, zo stellig was ik, ik zei: mark my words.
        ‘Dus die plaats waar we elkaar weer zullen zien, die blijft natuurlijk Batavia heten. Dat kán dus niet meer veranderd worden. Kijk, en dat stelletje wat daar voorlopig aan de macht is, dat rotzooit maar een eind weg! Dat hele gemier, dat stelt niks voor, dat is maar de objectiviteit.
        ‘Maar ja, daar hoef je bij Vier niet mee aan te komen. Want zij heeft het overleefd, zij is er boven uitgekomen, ja? En ondertussen maar flink zijn, de Deugdzame Weduwe, en andere mensen helpen, andere mensen verzorgen. ’t Is echt een verpleegsterstype hè, ze heeft ook in de verpleging gezeten, in de oorlog, ze heeft zelfs een of andere mof z’n leven gered – zègt ze, nu ja, dat verhaal dat vertelt ze je vast nog wel. Maar nu verpleegt ze mij zo’n beetje. En Anny dus. Voor d’r gevoel, bedoel ik. Maar in feite houden wij dat goede mens staande. Joh, ze heeft ons hartstikke nodig, anders zat ik toch allang weer in Batavia?
        ‘Trouwens, Anny is ook een heel bijzonder meisje, hoor. Enorm begaafd. Maar de onthechting, die moet ze nog leren. Ze heeft die ene grote klap in d’r leven gekregen, ik geloof dat ze toen nog in de twintig was, toen die vent opeens doodbleef – nou, en daarna is ze eigenlijk nooit meer de deur uit geweest. Ja, als ik wat jonger was geweest, had ik wel een man voor d’r geweten, dat vertel ik jou gewoon! Maar ik dacht altijd god, ik ben maar een oude bok, wat moet zo’n kind ermee? – maar goed, genoeg gepraat, zullen we niet wat gaan eten?’
        Wij besloten naar de Chinees te gaan en namen daar een rijsttafel. Van ieder gerecht vertelde Geert uitvoerig wat er niet deugde. Wij dronken vele rondjes Heineken – voor ons die avond ‘Tjap Bintang’ – , en op weg naar huis had je niet meer kunnen zeggen wie er nu wie over straat hielp.

(wordt vervolgd)