Brief bio sketch

Lloyd Haft (1946- ) was born in Sheboygan, Wisconsin USA and lived as a boy in Wisconsin, Louisiana and Kansas. In 1968 he graduated from Harvard College and went to Leiden, The Netherlands for graduate study in Chinese (M. A. 1973, Ph. D. 1981). From 1973 to 2004 he taught Chinese language and literature, mostly poetry, at Leiden. His sinological publications include Pien Chih-lin: A Study in Modern Chinese Poetry (1983/2011; published in Chinese translation as 发现卞之琳: 一位西方学者的探索之旅 in 2010) and A Guide to Chinese Literature (with Wilt Idema, 1997). His liberal modern Dutch reading of Laozi's Daode jing was published as Lau-tze's vele wegen by Synthese in September 2017. His newest books in English are translations: Herman Gorter: Selected Poems (Arimei Books, 2021), Zhou Mengdie: 41 Poems (Azoth Books, 2022), and Totally White Room (Poems by Gerrit Kouwenaar, Holland Park Press, 2023). He has translated extensively into English from the Dutch of Herman Gorter, Gerrit Kouwenaar, and Willem Hussem, and from the Chinese of various poets including Lo Fu, Yang Lingye, Bian Zhilin and Zhou Mengdie.



Since the 1980s he has also been active as a poet writing in Dutch and English. He was awarded the Jan Campert Prize for his 1993 bilingual volume Atlantis and the Ida Gerhardt Prize for his 2003 Dutch free-verse readings of the Psalms (republished by Uitgeverij Vesuvius in 2011). His newest books of poetry in Dutch are Intocht (Introit) and Beluisteringen (Soundings), published by Uitgeverij Van Warven in November 2023, and Kruipruimte (Crawlspace), published by Arimei Books in November 2024. After early retirement in 2004, for a number of years Lloyd Haft spent much of his time in Taiwan with his wife Katie Su. In June 2019 he was named a Distinguished Alumnus of National Taiwan Normal University. In addition to writing and translating, his interests include Song-dynasty philosophy and tai chi. For many years he sang in the choir of a Roman Catholic church of the Eastern Rite in The Hague.



Wednesday, February 9, 2011

Moederbeelden (gedichten)

Toen ik je groet hoorde, sprong het kind van vreugde op in mijn schoot.
- Lucas 1: 44, NBV


(1) Verkondiging

Je naam verneem je
waar je de klos hebt laten vallen,

waar een hand van je vrijkomt
die reikt.

Al wat je meende te weven
nu vrij, nu onder je,
onder de hand die opgaat leeg,
eindelijk open.

Onder je hier,
diep uit de hemel gedaald,
van onder je uitziend oog
komt altijd het woord dat je hoort.

Want hoe zal de engel anders
komen dan in je kleur,
in het kleed dat je hand
van de huiver niet houdt?



(2) Moeder

Er is één uur,
één weten.
Alles in één gezien,
niet verhaald, niet vergeten.


De rest was een ander –
dat waren jaren;
woorden
die woeien, niet waren.

Maar hier – het uur dat ik groet
en rakende weet,
warmt mijn hand van nabij
en van zegen,

houd ik in mijn handen,
hier bij mijn hart,
hier in mijn armen verheven.

Onder mijn stem stilte,
onder mijn hart de hemel:
geen ander weet de naam want hier,
hier zijn wij één.



(3) Moeder II 

In het hol van je hart
is een oog in de aarde gekomen
dat ziet door je tranen,
uit bloed een opening –

rotsen van ouder vertrouwen
gescheurd om een beest,
een kind te laten komen
en ademen in open dat je bent.

Veertig dagen uit een oud geschrift
worden bij jou de veertigduizend slagen
oog op, oog open.

Wat waren de stenen anders
(waar je doorbrak) dan woorden,
namen die je achterliet om zijn?



(4) Moeder III 

Wikkel niet in wit
wie komt in de kleur van je handen.

Hij brengt,
opent, reikt hoog
uit het rood van je knieën,
reikt een hand

en je sluier vervalt.
Rood aan je knieën ontnomen
klimt in hem vrij,
vrij is de vlam
die staat in het warm van je handen.



(5) Mariabeeld, zonder armen 
 (St. Willibrordkerk, Oegstgeest)


Niet ontstaan,
niet gegroeid:
geslagen.

Door scherp uit hout
gehaald: beitel niet bede
die moeders hier maakt.

Maak mij niet af.
Snijd geen hand aan de arm
die aflaat,

hier geen einde vindt.
Waar niemand houdt – het kind
komt dáár.

--Lloyd Haft (verscheen eerder in Raster 93; 'Mariabeeld, zonder armen' in Roodkoper 6:5)







Monday, February 7, 2011

Beelden hoe Ik Ben (gedichten)

God sprak tot Moses: Ik ben: ‘Ik ben!’
- Exodus 3: 14, Canisius-vertaling

(1) Zij zoeken  [bij Lucas 24: 1-5]

Zij zoeken mij omdat
ik leefde. Zij huisden
en wisten het in graven,
noemden mij leven:
zagen bij mij.

Nu zijn mijn botten weg,
met licht dat zij zagen verwaaid,
ik ben het hart gebleven
dat zij hoorden bij mij
en horen nog, in openstaande
kamers van hun adem.

Zij zoeken mij in steen terug maar vreugde,
nu vreugde is mijn vorm, ik houd mij
nergens meer onder.



(2) Niemand  [bij Lucas 3: 21-22]


Niemand brak mijn hemel:
aan moedervocht ontklommen
bleek ik in open gedompeld,
leeg dat ik vader noemde want
geen ander was,

geen vuist die een wak,
mond die een naam in de morgen sloeg,

ik alleen was ander,

vogel die mij zag,
stilte, kou die mij wrongen uit
duister dit vlees in.




(3) Zij hadden  [bij Johannes 19:25-26]


Zij hadden benen;
ik de ene stam

die waar de lentewind kwam
in een geur van bloed en ijzer
mijn voeten samen hield.

Wat was ik graag
de duif die mij
voor zoon aanzag gevlogen.

Stam die mij hier hield:
een moeder die mij maakte,
vriend die mij raakte –

stonden met benen en huilden,
noemden mij zoon.




(4) Last der Profeten  [bij Lucas 3: 1-16]


Mijn vlees een muur?
Opgeworpene
die een zee tegen,
tegen moet houden,

bulderen
van binnen nemen,
noemen.

Is noemen nemen? Zeggen
zien? Mijn vlees

rijst er: lippen er zacht
een bres:

venster.

--Lloyd Haft (eerder verschenen in Roodkoper 6:5, september 2001)





Eight Tai Chi Poems

(1) The Stork Spreads its Wings (白鶴亮翅)

I asked my body how to be
a bird: highest flier,
freest of all those still
bound to earth.

My lips closed
and in I breathed
the air the cranes fly in;
my bones turned

left and right with me, greeting
all the distant trees and then
I felt how from my beating heart’s
silent center burst

an opening, a freeing of the winds,
and all the heavens came to me,
shone with all their wants in me:
in me their widest thirst.

Not I went out: the winds came in
and found me where I never thought
to be: only in opening,
here before all worlds.




(2) Putting It All Back Together (合太極)

‘Put me back together
where I came apart.’
As if there were a where,
as if there were an I

that is apart. Part
only. Part me part
what? Break open stone,
open an eye:

what’s under’s still I.
What are my hands but soft
openings, twin manners
of feeling what I’m ever by,

with, never away from.
If I heft no chisel,
chip no name in the cliffs
for the ever-nearing light –

don’t think I’m un-
knowing. I’m here,
here in the hearing.
The wind and my silence

are a single sound.




(3) Carry the Tiger Back to the Mountain II (抱虎歸山之二)

As if I’m turning
‘back’ to rock – as if
I ever was,
stood solid.

Light as wind my hands
that open, grasp along,
pass as open leaves
over the knees, the rocks,

the here solid rounds.
What gleams,
what lights my way’s
before me now, close on,

closing in on. It’s wide, gapes
open as always. It
never
stops

nearing. I call it ‘mountain’
just to make it sound,
cast my voice, my sounding, my
pebble in that endless pond

of light that where I am surrounds.




(4) Carry the Tiger Back to the Mountain III (抱虎歸山之三)

Who knows how to carry this?
This thing between them all,
middle me where all things end
and I become – this ‘heart,’

prowler of my days
this daylight-mauling rager,
stranger here to all
but what I want?

It looks; I see. Want.
‘Wherever I am touched, I change
direction,’ go with the coming,
take all on.




(5) Step Up and Plant a Fist (進步栽捶)

The fist I tried to make
was bark only, rind,
a ring around the coming
of a hidden baby tree,

a gotten of the wind,
growing up
through me and all my makings
on its way to freer,

wider,
fuller of sun.
Feeling it rise above me
I settled to my knees,

knowing my place at last
among the leaves,
the soft open shadowed,
the living here beneath.



(6) Ward Off to Right (右掤)

This is my only shield:
to see these hands as halves
of a circle, held before
my heart to catch a sun.

I go nowhere, do no
thing: stand,
wait above the earth.
All the earth is under,

behind, with me.
Our cry is in the birds,
branches – many,
but we wait as one.

I that watch: hands wide to let
the day between: if day shall come
and in my gaping shape will show
the heart of all I wait among.


(7) Step Up to the Stars (上步七星)

Where I laid my right arm
down at last, the sky above
suddenly opened.

Stars shone down and lighted me,
saw perhaps before I knew it
where my left hand rose –

nearer to the heart that is
my strength and my abiding, my
nearest to knowing.

(Is know here wait, not
do? I never made, never told
those stars to show:

they came. And were enough
for seven heavens, filled
to overflowing.

One for every day I’ll ever
name. A light for every
way I’ll ever go.)

Light as a rising star, my right foot
lifted, stepped out over the earth
so near, so here below it.




(8) Step Back and Ride the Tiger (退步跨虎)

Back I go. Back and to
the tiger that I rode before
I heard I had a name.

He’s nice. He carried me
my wealth of ways, before their fast
and forward was the only way.

Back to the tiger’s
not their highway, not their
low back way.

It is a simple seeing of
what most was left aside,
a turning into place

and out of time.
Opening my fisted hands again
I feel the light of day,

the same again, ever the one.
Softer than any tiger’s paw I let, not put
my foot down by the way-

side. No need to form,
to warm the sand beside
this road. It’s here already, waiting

where we’ve always been.


--Lloyd Haft

太極拳雜詩八首

漢樂逸 著   蘇桂枝 譯

(1) 白鶴亮翅

問我的身體如何變成鳥:
高高的
在大地中自由騰翔

我雙唇緊閉
吸進大鶴飛躍過的空氣
我骨頭轉晃

左右跟進,
招呼著眼前所有的樹
一顆跳動的心無言的心眼迸放

一股開放自由的風
九重天乍現
在我處,激求渴望

不是我出去:是風進來
在我從未預料的地方尋我
混沌初開前  空曠



(2) 合太極

推回分離我之處
難道有一地方
會是
孤獨自顏

部分是我
另一為何
闢開石頭
睜開眼:

其下仍是我
所謂我的手
無非亦是柔弱張開
如常的表現

一體雙面從不遠離,
雖道是手中無鑿子
未予這漸近的光
刻名於石岩

勿以為
我無知。
此時此處正聽著
風與我的無言

同音



(3) 抱虎歸山 之二

難道我正
返歸峭壁山崖
像個曾經的我
堅實站立

輕如風的雙手
像張開的葉子
觸摸著膝蓋
輕拂岩石

穩固旋轉。
那發光
在前面照明我途的
越來越靠

寬闊
一如峽谷的無端
不停的
逼近

我稱呼它為‘山’
僅為了有個音
拋射我的聲調猶如
投石入無盡頭的池塘般

光圈環繞著我




(4) 抱虎歸山之 三

孰知如何撐起
萬物間
自體之中
的心肝

匍匐生活裏
這日光之凶煞者
若非我企望
此地於牠孤單

牠看:我觀,我需
無論何地
碰觸則轉
隨遇而戰




(5) 進步栽捶

我試著握個拳頭
卻僅是皮層
空心藏著的嫩樹
展延

隨風而來
穿越我
和我的一切,自由
往前

更寬更充滿陽光。
感受它之高超
我沉穩,入
膝間

終究知道我安在
茂葉中,
鬆柔暢旺,蔭成
穹氈




(6) 右掤 

這是我僅有的盾:
端似雙手圓圈
對半心前,捕捉陽光,
等待

無為無往
穩住:
在大地之上, 
等待

宇宙與我同在
鳥群暢鳴、叢林狂嗖,
集體如一,
等待

我伺機造形
極寬:予白日躍進
以現萬物之心,
等待



(7) 上步七星

我放下右手的那一刻
上空  霎那間
展開

星星閃爍照著我的身
左手  抬舉前
觀來

接近一顆堅強與能耐
我心  更熟練
了懷

(知道的話就會等待?
星辰  無需言
亮態

它們來到而且是多到
七層  滿個天
溢彩

星期每日我予以命名
銀光  隨我緣
對待)

輕盈如上升的星星
右腳  跨地面
緊挨




(8) 退步跨虎

回轉, 回到
他們命我名之前
所騎虎

牠好, 在統獨趨速行走前
多次載我
康莊途

回到老虎
非經高地,亦不是
低窪都

是淺顯可見丟棄物,
跳脫時間,諦觀我
轉向處

再張開拳頭
我領受日光始終
溫如晤

我垂下
比虎爪還柔的腳
側旁路

不需造勢
亦不暖邊道砂石。與它
似當初

存在






Saturday, February 5, 2011

Gouda: Twee gedichten


I. Na jaren in het Verre Oosten keer ik op een herfstmiddag naar Gouda terug en zie daar tegen zonsondergang de Sint Jans staan
 
Noem nu goed, noem
grond wat ik betrad,
betreed,
beleef al buiten noemen:

niet handen,
niet mokers,
nog minder mensenwoorden die hier
een eeuwig ding bedongen –

ik ben het. Die niet deed:
zweeg. Niet baarde:
ontbeerde. Ontwachtte tot het
kwam, klopte, bleek:

licht dat deze stenen op-
riep, neer-
legde,
houdt waar ik sta.

Aan mijn gebrek gemeten
klom schaduw dat het klonk:
stil te horen samenspel
van licht en steen en adem.

Gebeiteld blijft
geen naam van enig maker:
die deze muur en deze wind
bijeen weet heet ik.



II. Op een herfstmiddag uitziend over plataanachtige bomen te Dagou, Taiwan moet ik opeens denken aan een middag tegen zonsondergang in Gouda een jaar geleden

Keer nu alle woord.
In Dagou hoor nu Gou-
da. Goud, ah –

zo was het:
oktober, uit een Gouds station ont-
wakkerend in flakkerend gewapper:
platanen:
bladeren die namen,
hielden,
hieven mij tot boven in hun grond.

Handen die vlammen waren,
opgeheven, omgelaaid,
om tot in het open,
het diep erachter ademen
dat alle woord te boven
over oceanen reikt. 

--Lloyd Haft  (verschenen in Roodkoper 14:4, december 2010)

Saturday, January 29, 2011

Zware schepen (verhaal: deel 1 van 3)

ZWARE SCHEPEN

(uit Optekeningen over het Uitzonderlijke uit een Sinologisch Studeervertrek 漢齋誌異 van Lloyd Haft)

In september 1968 kwam ik als jong student uit Amerika in Leiden aan. Ik had in Amerika een bachelorsopleiding al achter de rug; ik was net voor de marine, en voor alle andere takken van de militaire dienst, afgekeurd op grond van mijn ‘geschiedenis van respiratorische aandoeningen’, en ik had een beetje geld op zak. Het Nederlandse collegegeld stelde in die dagen niets voor, en ik liet mij tegelijkertijd inschrijven voor Chinees en Japans. Ik woonde voor vijfennegentig gulden per maand in een ruime, goedverwarmde kamer bij Mevrouw van Sassen op de Stille Overvaart. Mevrouw van Sassen hield de kosten zo laag omdat zij, in haar woorden, ‘straks als fatsoenlijk mens het hiernamaals in’ wou. Ik herinner mij dat ik van die uitspraak van haar twee, voor mij toen nieuwe, woorden in het Nederlands leerde: ‘fatsoenlijk’ en ‘hiernamaals’.
        Ik leerde overigens vlug Nederlands. Ik had al in Amerika vrij goed Duits geleerd, officieel op de universiteit maar in feite zwaar steunend op onbewuste herinneringen van vroeger. Mijn vader was op de Stille Oceaan gesneuveld toen ik één jaar oud was, tijdens het laatste jaar van de oorlog. Daarna waren mijn moeder en ik bij haar ouders ingetrokken. Mijn overgrootmoeder leefde toen nog en woonde bij Oma. Zij was, hoewel in Amerika geboren, thuis Duitstalig opgevoed, en toen ik haar als peuter kende sprak zij met Oma nog altijd liever Duits dan Engels. Toen zijn bepaalde indrukken van die taal in mij gevestigd die later, ondanks de verschillen tussen ‘hoog-’ en ‘nederduits’, mij goed te stade kwamen bij het leren van het Nederlands.
        Toen ik in Leiden aankwam was Oma allang overleden, maar iets van haar stem klonk op uit de woorden die ik om mij heen hoorde. Vaak kreeg ik, terwijl ik op straat liep, eigenaardige gedachten als: als Oma hier zou zijn, zou zij zó dit winkelbord kunnen lezen, of: wat die marktverkoper net zei, dat had Oma waarschijnlijk nog kunnen verstaan. Zo eigenaardig waren die gedachten niet eens, want Oma zóu het allemaal reuze interessant hebben gevonden. Al tijdens haar leven had zij nooit een gelegenheid voorbij laten gaan om haar Duits te oefenen. Tijdens de oorlog had zij zich zelfs ontfermd over een stel Duitse krijgsgevangenen die bij haar in de buurt in een kamp waren ondergebracht; zij ging er weleens ’s zondags na de kerk op bezoek om met die eenzame Duitse knullen een praatje te maken en ze van Duitstalige bijbels en andere lectuur te voorzien, vaak samen met een kaffeekuchen die zij de avond tevoren had gebakken. Volgens mij heeft zij van die militairen ook een aantal Duitse volksliedjes geleerd die zij mij later leerde en die ik veel leuker vond dan andere Duitse teksten die zij soms zong, zoals Bist du bei mir, geh ich mit Freuden van Bach.
        De aanpassing aan het Nederlands gaf mij dus weinig problemen, en ook in andere opzichten ging het mij, in het welvarende, nogal zelfgenoegzame Nederland van toen, alleszins voor de wind. Dat Nederlanders vaak ook nog in andere werelddelen veel voetstappen hadden liggen, ja, daar zelfs hele levens achter zich hadden, werd mij gauw duidelijk na mijn opneming in het wat ongewone huishoudentje dat Mevrouw van Sassen erop na hield. Behalve ik waren er twee andere huisgenoten, die allebei uit Nederlands-Indië afkomstig waren. Ook Mevrouw van Sassen had vroeg in de jaren dertig met haar man en kinderen een tijdlang in Batavia gewoond, totdat haar man ongeneeslijk ziek bleek en naar Nederland terug moest; hij was al vóór de oorlog overleden.
        Van de andere huisgenoten heette de jongste Anny Thio. Zij was een Chinese vrouw, die als psychiater een vaste baan op een ziekenhuis had. Zij was ongetrouwd en zal toen ergens in de veertig geweest zijn. De andere, Geert Cornelisse, was een lange, blauwogige Hollander; ik heb later uitgerekend dat hij toen al bijna zeventig moet zijn geweest. Ook hij woonde alleen, in een paar kamers op de bovenste verdieping. Op zijn voordeur had hij een fraai koperen plaatje aangebracht, waarop stond: G. Cornelisse, Scheepsbouwkundig Tekenaar. Aangezien hij zeer veel tijd in zijn kamers doorbracht en het voortdurend over zijn ‘opdracht’ had, wist ik niet beter of hij werkte nog altijd. Wel merkte ik dat Mevrouw van Sassen telkens haar gezicht vertrok als hij het woord ‘opdracht’ liet vallen.
        Hoewel Mevrouw van Sassen, Anny en Geert geen van allen met hun Indische achtergrond te koop liepen, zorgde die achtergrond voor een sfeer in huis die onmiskenbaar ‘anders’ was. Niet alleen ik voelde dat; ik kwam er zelfs een keer achter dat ons huis in de hele buurt ‘Indië’ heette.
        Natuurlijk kwam de ‘Indische’ hoedanigheid onder andere in de eetgewoontes tot uiting. Er schenen vóór mijn tijd weleens woordenwisselingen met de buren geweest te zijn in verband met de overweldigende geuren die uit de keuken van Indië opstegen en zich tot onwaarschijnlijk ver in de omtrek verbreidden. Ook ik schrok hevig toen ik mensen voor het eerst sambal zo uit het potje zag eten, maar al gauw was ik tot ‘pedis’ bekeerd en vond ik de Hollanders maar kneuterig omdat zij, net zoals spoken in het Oosten, bang waren voor een beetje knoflook.
        Onder de eetgewoontes was er één die ik eerst voor oer-Hollands aanzag, maar die juist een bijzonder subtiele herinnering aan Indië bleek te zijn, die bewust als zodanig in stand werd gehouden. Iedere zaterdag was namelijk ‘soepdag’; dan werd er vlak na één uur onveranderlijk bij Mevrouw van Sassen een zelfgemaakte maaltijdsoep opgediend. Er was een vaste roulatie: de ene week was het Erwtensoep met Kluif, de volgende week was het weer Bruinebonensoep met Spek. ’s Zomers, ’s winters: altijd die heerlijke soep.
        Anny deed altijd daags tevoren de boodschappen en kwam dan bij Geert en bij mij om een kleine bijdrage langs. Als de soeptijd aanbrak, kwam Anny van het ziekenhuis thuis, daalde Geert vrolijk de trap af, en werd ik door deze of gene uit de boeken weggerukt en zowat lijfelijk erbij gesleept. Niet dat ik veel verzet bood, want ik vond de soep erg lekker – ik genoot van het gebakken dobbelsteentjesbrood dat we bij de erwtensoep kregen! – en als we bij elkaar zaten, dan begonnen de verhalen te komen, over vroeger.
        Alleen al het zien en ruiken van de soep leek bij mijn huisgenoten een ander soort tijd in te luiden. En in zekere zin was dat ook zo, want op dat uur deden ze met z’n allen iets trouw na wat tientallen jaren geleden, onder een andere zon en in een heel ander tijdperk van hun aller levens, ook gebeurde, en toen ook de overgang naar een andere tijd markeerde. Het scheen dat in Batavia, vóór de oorlog, er een bepaalde gelegenheid was geweest waar je iedere zaterdagmiddag, als het werk er om één uur weer opzat en het weekend begon, Erwtensoep met Kluif kon krijgen, of Bruinebonensoep met Spek. Ze hadden het toen in Indië gegeten als herinnering aan Holland; nu aten ze het in Leiden om Indië weer op te roepen. Hun manier om tot rust en geluk te komen was: samen teruggaan naar een vervlogen uur in hun leven waarin zij van rust en geluk hadden gedroomd.
        Maar niet alleen zij vertelden over vroeger, want zij waren gebrand op mijn verhalen over mijn eigen verleden in Louisiana. Net als hun Indië werd mijn Zuiden in de herinnering een oord van eeuwige zon, van jong geurend groen, en van een levensstijl waarin, alle economische achterlijkheid ten spijt, veel plaats was voor kleur en gebaar, waan en waardigheid, kleine waarheid en groot mysterie. Ik vertelde hoe wij als schooljongens stokken in de takken gooiden om de pecannoten los te slaan; net zo hadden zij vroeger mangga’s geoogst. Ik had het over voodoo; zij over goena-goena. Met verrukkelijke verontwaardiging beklaagden wij ons over de kleinheid van de Nederlandse magnoliabloemen, de eentonigheid van het eten, de mensonwaardige slechtheid van het klimaat.
        Zij gaven mij het gevoel een familielid te zijn dat opeens na lange tijd was teruggekeerd. Het was alsof zij mijn verhalen niet alleen interessant vonden maar ook belangrijk, alsof daarin iets vervat was waar zij al zeer lang op hadden gewacht, iets wat zij eigenlijk wisten maar wat alleen de getuigenis van mijn lippen kon bevestigen en tot werkelijkheid kon maken. Zelfs als ik de eenvoudigste dingen vertelde, namen zij mijn woorden gretig en aandachtig op, onder uitbundig knikken en glimlachen.
        Van mijn kant merkte ik iets soortgelijks. Hun leuke verhalen, de prettige dingen over het alledag van toen, vervulden mij met een vreemd soort schrijnende blijdschap, een smartelijk besef van onverklaarbaar medegevoel en onverdiend betrokken zijn. Als Geert mij vertelde wat voor merk bier hij vóór de oorlog dronk, als Anny nadeed hoe haar moeder ’s morgens de papau uit de ijskast haalde en in de stoomkoker overbracht, dan had ik bijna het gevoel té gelukkig, té gefascineerd voor één persoon te zijn; het was alsof ik het allemaal wilde vastleggen zodat ik het later zou kunnen delen, doorvertellen – maar met of aan wie, was nooit duidelijk. Juist in de ogenblikken van de meest aanstekelijk oplaaiende vreugde was het soms alsof er iemand over mijn schouder meeluisterde, iemand voor wie het erg belangrijk was dat ik het allemaal zo exact mogelijk registreerde en, vooral, er zoveel mogelijk van genoot.
        Dat eerste najaar werd mijn verjaardag in ‘Indië’ gevierd. De dag viel eigenlijk op donderdag, maar wij spraken af om elkaar zaterdag bij de soep te zien; dan kon Anny, die donderdags avonddienst had, erbij zijn. Toen het zaterdag was – het was die keer weer erwtensoep – begonnen we zoals gewoonlijk, met soep en toebehoren. Maar toen de eerste ronde afgelopen was, op het ogenblik dat Mevrouw van Sassen hoorde te zeggen: zo, lust er iemand nog wat, ik wél – ging Anny opeens naar de keuken en kwam terug met een prachtige cake, zo’n hoge met chocoladeglazuur, volkomen Amerikaans, op gepaste wijze bedekt met brandende kaarsjes, één voor elk jaar van mijn leven.
        Toen zij de cake neerzette begonnen zij alle drie ‘Happy Birthday to You’ te zingen, en terwijl ik luisterde zag ik dat er tussen de kaarsjes ook nog twee papieren vlaggetjes aan sateh-stokjes prijkten, een Nederlandse en een Amerikaanse, allebei onvoorstelbaar keurig getekend en ingekleurd. Ik wenste in stilte dat wij vieren elkaar nooit meer uit het oog zouden verliezen, ademde diep in, sloot mijn ogen, en probeerde volgens de spelregels om alle kaarsjes in één adem uit te blazen. Het lukte niet, het waren er al te veel. Iedereen lachte.
        ‘Anny heeft de cake gebakken’, zei Mevrouw van Sassen, ‘en de vlaggen zijn van Geert’.
        De koffie werd gehaald, de cake gesneden – en toen trad ik pas bijna buiten mijzelf van verbazing, want het bleek een maanzaadcake te zijn, een zeer ongewone onder de cakesoorten, maar wel vanouds mijn favoriet. Volgens mij is het eigenlijk een Duitse cake, die in onze familie al sinds generaties op verjaardagen dienst doet.
        ‘Hee’, zei ik tegen Anny, ‘hoe wist je dat ik juist maanzaad zo lekker vind?’
        ‘Ik dacht gewoon – ja, dat vindt-ie vast lekker!’
        ‘Nou – jeetje, ik bedoel, het lijkt mij bijna uitgesloten dat je dat zomaar raden kunt. Er zijn wel twintig andere smaken waar ik eerder aan zou denken!’
        Zij haalde een keer langzaam haar schouders op en keek mij met een mooie glimlach aan. Ik vroeg mij voor de zoveelste keer af waarom zij niet was getrouwd.
        ‘Helderziendheid hoor’, zei Geert. ‘Ik heb altijd gezegd, Anny is gewoon helderziend’.
        ‘Mevrouw van Sassen zette weer even een zuur gezicht: ‘Joh schei toch uit, ’t is gewoon een hartstikke pientere meid!’
        ‘Hal’, zei Anny, ‘misschien lijden wij allebei aan cryptomnesie’
        ‘Tjongejongejonge’, zei Geert. ‘Nu is het weer cryptomnesie. Blij dat jouw vak het mijne niet is!’
        ‘Nou jongens’, zei Mevrouw van Sassen, ‘eten dan!’
        Halverwege de middag braken wij eindelijk op. Wij brachten onze eigen borden en koppen naar de keuken. Geert ging voor een boodschap de stad in, en toen Anny meteen het kleine afwasje aanpakte, maakte ik aanstalten om af te drogen.
        ‘Niks d’rvan, geef mij dat ding!’ zei Mevrouw van Sassen. ‘Jij bent de jarige!’ Met een liefkozende knipoog nam zij mij de theedoek uit handen: ‘Trouwens wat schattig hè van Geert, dat-ie die vlaggetjes maakte, voor op je cake. Kijk, je kunt van Geert zeggen wat je wil, maar tekenen kán die’.
        ‘Werkt hij eigenlijk nog?’ vroeg ik.
        ‘Moe, je moet straks niet vergeten je pillen in te nemen hoor, gisteren ben je ’t volgens mij vergeten’, zei Anny.
        ‘Jaja’, zei Mevrouw van Sassen, ‘dat was gisteren alleen omdat Garry zo lang aan de telefoon bleef hangen. Ik zal er straks aan denken’.
        Op mijn vraag werd niet teruggekomen. Het was niet de eerste keer dat ik Anny Mevrouw van Sassen ‘Moe’ had horen noemen als Geert niet in de buurt was.
        Toch was ik nieuwsgierig. ‘Maar Geert hè’, zei ik, ‘heeft-ie nog eigenlijk een baan of zo?’
        Met samengeknepen lippen hing Mevrouw van Sassen de doek op en kwam dichtbij mij staan: ‘Jongen, die man heeft een verschrikkelijk leven achter zich, wil je dat nooit vergeten? Kijk, normaal gesproken had ik hem er allang uitgegooid, want eigenlijk is het gewoon te gek. Maar ’t is zo’n ongelofelijke schat van een man! En hij heeft nu eenmaal in het verleden een aantal knakken gekregen, nou ja, en daar is-ie nooit meer boven uit gekomen, punt uit! Kijk, om te beginnen is hij ja-rén bij de Jap te gast geweest, in zo’n kamp, en – ’
        ‘Hè gossie, Moe, begin er nou alsjeblieft niet wéér over!’ Anny was nog vagelijk het aanrecht aan het schoonmaken. Ik zag dat haar gezicht rood aangelopen was.
        ‘Kind, Hal heeft me een vraag gesteld, en nou zal die een antwoord krijgen ook!’
        Anny gooide het blauwe sponsdoekje neer en liep snel de keuken uit.
        Mevrouw van Sassen hield haar beide handen leeg op. ‘Niks aan te doen hè? Anny is nogal emotioneel wat Geert betreft. Maar goed, wat ik daarnet zei, van dat kamp. Daar heeft-ie in gezeten. En hij heeft het overleefd – maar vraag niet hoe. En daarvóór al had-ie zijn broer verloren, die zat bij de marine, die is in de Javazee gesneuveld. Daar was-ie erg op gesteld, zijn broer. Hein, heette die’.
        Ze beet op haar lip en pakte met beide handen een vaasje bloemen dat op het aanrecht stond. Voorzichtig bracht ze het naar de gootsteen, leegde het, en begon vers water bij te vullen. ‘En toen, toen de oorlog dus afgelopen was, – ’ zij zette het vaasje op zijn plaats terug – ‘toen konden ze zijn vrouw niet meer vinden. Hij heeft namelijk een Maleise vrouw gehad; het moet een ontzettend lief kind geweest zijn, ik heb weleens een foto van d’r gezien. Maar ze was daarna gewoon verdwenen. Hij heeft nog als een gek naar d’r gezocht, nog tijdens al die ellende met die opstandelingen en zo, maar nee hoor, spoorloos’.
        ‘Hebben zij nog kinderen gehad?’
        ‘Nou ja, volgens hem wél, en die zouden het óók niet hebben overleefd, maar weet je wat het is, op ’t laatst – dat is het ’m juist, op ’t laatst weet je toch niet meer of je ’t allemaal moet geloven’.
        ‘Waarom eigenlijk?’
        ‘Jongen, aan de ene kant is Geert geestelijk zo helder als wat, daar kunnen de meeste jongens van jouw leeftijd niet aan tippen. Maar hij zegt soms dingen, dan denk je, die komt nog op Endegeest terecht. Je weet dat-ie de hele dag op z’n kamer zit te tekenen? Nou. Hij gelooft dat dat voor de marine is. Hij denkt dat de Koninklijke Marine op zijn tekeningen zit te wachten. Hij maakt tekeningen van schepen die ze nog in 1940 hadden zullen gaan bouwen, waar dus toen niets meer van terecht is gekomen vanwege de moffen. En dan gelooft-ie, als de tekeningen klaar zijn, dat die schepen alsnog afkomen’.
        Ik zag hoe zij haar handen in elkaar kneep. Zij keek mij aan; haar ogen waren vochtig. Toen zij weer sprak beefde haar stem een beetje: ‘Ja, jong. En dan gaat het hele eskadertje varen, en hij vaart mee, van hier uit, terug naar Indië, en dan jagen ze de Jappen weg, en dan gaat hij naar Batavia terug en alles is weer precies zoals het was en hij ziet zijn broer en zijn vrouw eindelijk weer’.
Een traan begon over haar rechterwang te lopen. Zij wendde haar gezicht van mij af en pakte de rand van het aanrecht met beide handen vast: ‘Jongen, als je ’s wist wat die man allemaal heeft doorgemaakt. En in vijftig, toen na die hele soevereiniteitsoverdracht, toen ze ’t allemaal in Indië niet meer zagen zitten, toen is-ie naar Holland gekomen, en prompt ontzaglijk ziek geworden. Alles bij elkaar heeft-ie zowat anderhalf jaar gelegen – hoefde-die niet te betalen hoor, want hij was dus in overheidsdienst geweest. Maar daarna stond-ie zo’n beetje op straat hè, geen baan, geen geld, niks.
‘En nou was het in die tijd zo, dat hij in Den Haag nog één of andere ordebroeder had, van de vrijmetselarij, want hij was in Indië al lid van zo’n loge geweest, ik geloof niet van die hele grote, Ster in ’t Oosten of hoe het ook heette, maar een andere. Daarna heeft-ie met die loge ruzie gehad, hij doet er al sinds jaar en dag niets meer aan, maar toen zat-ie er nog wél bij. En toen heeft die ordebroeder hem wat geld geleend om een handeltje te beginnen, in scheepsmodellen en bouwplaatjes en dergelijke. Nou, dat ging wel, zo’n paar jaar. Tot opeens het hele winkeltje in de fik vloog en er iets met de verzekering niet deugde. Nou en daar stond-ie weer hè?’
‘Ongelofelijk’, zei ik.
        ‘Daarom zeg ik, jongen, het is ook menselijkerwijs niet om te geloven. En toch, als je ’m zo ziet, zou je zeggen dat-ie het allemaal heel best heeft kunnen verkroppen. Maar weet je wat het is – op een gegeven moment gaat het hier zitten. In de gedachten. In de geest’.
        Zij hield het niet meer; de tranen begonnen volop te vloeien. Zij keek naar één kant weg maar liep op mij toe en begon mij achteruit in de richting van de deur te duwen: ‘Sorry hoor jong, ik wou je niet op je verjaardag allemaal nare dingen vertellen, maar je hébt het me gevraagd. Ga jij nu maar naar je vrienden toe, zorg dat je nog een hartstikke fijne dag en avond hebt. Ik moet nu een kopje thee zetten voor Anny. Dag jòng!’
        Toen zij de deur dicht deed, bleef ik even buiten staan, op de gang. Aan de andere kant van de deur huilde zij dat ik het hoorde.

(wordt vervolgd)