Brief bio sketch

Lloyd Haft (1946- ) was born in Sheboygan, Wisconsin USA and lived as a boy in Wisconsin, Louisiana and Kansas. In 1968 he graduated from Harvard College and went to Leiden, The Netherlands for graduate study in Chinese (M. A. 1973, Ph. D. 1981). From 1973 to 2004 he taught Chinese language and literature, mostly poetry, at Leiden. His sinological publications include Pien Chih-lin: A Study in Modern Chinese Poetry (1983/2011; published in Chinese translation as 发现卞之琳: 一位西方学者的探索之旅 in 2010) and A Guide to Chinese Literature (with Wilt Idema, 1997). His liberal modern Dutch reading of Laozi's Daode jing was published as Lau-tze's vele wegen by Synthese in September 2017. His newest books in English are translations: Herman Gorter: Selected Poems (Arimei Books, 2021), Zhou Mengdie: 41 Poems (Azoth Books, 2022), and Totally White Room (Poems by Gerrit Kouwenaar, Holland Park Press, 2023). He has translated extensively into English from the Dutch of Herman Gorter, Gerrit Kouwenaar, and Willem Hussem, and from the Chinese of various poets including Lo Fu, Yang Lingye, Bian Zhilin and Zhou Mengdie.



Since the 1980s he has also been active as a poet writing in Dutch and English. He was awarded the Jan Campert Prize for his 1993 bilingual volume Atlantis and the Ida Gerhardt Prize for his 2003 Dutch free-verse readings of the Psalms (republished by Uitgeverij Vesuvius in 2011). His newest books of poetry in Dutch are Intocht (Introit) and Beluisteringen (Soundings), published by Uitgeverij Van Warven in November 2023, and Kruipruimte (Crawlspace), published by Arimei Books in November 2024. After early retirement in 2004, for a number of years Lloyd Haft spent much of his time in Taiwan with his wife Katie Su. In June 2019 he was named a Distinguished Alumnus of National Taiwan Normal University. In addition to writing and translating, his interests include Song-dynasty philosophy and tai chi. For many years he sang in the choir of a Roman Catholic church of the Eastern Rite in The Hague.



Saturday, January 29, 2011

Meester Muus (novelle: deel 2 van 8)

(uit Optekeningen over het Uitzonderlijke uit een Sinologisch Studeervertrek 漢齋誌異 van Lloyd Haft)

Toen ik in Heerenveen uitstapte, stond Aarts volgens afspraak op het perron. Hij zag er inderdaad, zoals hij zich over de telefoon had beschreven, ‘in ieder geval zeker niet jong’ uit, maar nog niet alarmerend mager. Ik vroeg mij af of hij bewust Immanuël Kant nadeed, dat hij zijn inmiddels witte haar aan beide kanten van zijn hoofd ongefatsoeneerd in twee weelderige uitstaande plukken liet staan. Toch had ik hier geen specialist in de zedenleer voor mij: zijn glimlachende mond werd door vleesplooien omgeven die onze grootouders ‘joviaal’ zouden hebben genoemd, onze ouders ‘zinnelijk’. Voor mij was hij gewoon meteen sympathiek.
        Het eerste wat hij zei was: ‘Ik neem aan dat je een stevige ongevallenverzekering hebt?’
        ‘Hoezo?’
        ‘ – want bij mij in de auto zitten is niet iets voor de bange zielen!’ Een schallende lach.
        ‘Ik ben niet bang!’
        Ondanks zijn leeftijd bleek zijn wandelsnelheid flink hoog; met mijn tweeënveertig moest ik hard werken om hem bij te houden op weg naar de grijze Toyota Prius.
        Met zijn rijtechniek viel het erg mee. Toen wij bij een lelijke, slecht gesitueerde pretentieuze winkelpassage langskwamen waar het moeilijk parkeren was, zette hij de auto heel snel keurig neer in een klein overgebleven vakje dat menigeen niet zou hebben aangedurfd.
        ‘Effe gebak halen’ zei hij, ‘voor bij de thee. ‘Vind je ook moorkoppen lekker?’
        ‘Heerlijk!’
        ‘Dacht ik al. Grote jongens ondermekaar he? ’k Ben zo terug’.
        Ik zou één avond bij hem logeren. Tussen nu en dan zou ik, in opdracht van Uitgeverij de Novo, met hem samen kijken naar wat materiaal over tai chi. Vanuit mijn eigen ervaring zou ik, zo hoopte men, waar nodig toelichting kunnen geven over deze op het eerste gezicht zo vreemd aandoende vorm van lichaamsoefening, deze schijnbare anti-sport waarbij alle bewegingen juist uiterst langzaam werden uitgevoerd. Hij zou wat boeken en DVD’s erover hebben gekregen van de Stichting Lijf en Leven. Als ik vandaag en vanavond zijn vragen erover kon beantwoorden, zou hij morgenochtend door iemand vanwege de Stichting worden verfilmd terwijl hij zogenaamd zijn eerste les kreeg van een tai chi-lerares uit Peking, die vanavond een lezing in Leeuwarden hield.
        Ik vond het merkwaardig dat die Stichting hun materiaal beschikbaar wilde stellen aan iemand die daarna in zijn boek de tai chi juist zoveel mogelijk zou afkraken. Maar ongetwijfeld werden ze daarvoor rijkelijk betaald door De Novo. Waarschijnlijk zou ook de publiciteit in het vervolg tot meer intekeningen op hun tai chi-cursussen leiden.
        Aarts was al terug, met een forse volle papieren zak, die hij meteen op de achterbank neerzette.
        ‘Je bent heel wat van plan’ zei ik.
        ‘Dat moet ook, want we zijn straks met z’n vieren’.
        ‘Wie nog meer?’ Hij woonde toch ‘moederziel’?
        ‘Puilenbroek. En hoeheetze – die Chinese vriendin van ’m, Veronica geloof ik, heet ze. Ze komen straks bij mij thuis met al die boekjes en bandjes’.
        Zó zat het! ‘Hee! zitten die bij die stichting?’
        ‘Wel ja, “Lijf en Leven”, dat is Puilenbroek helemaal, appelation controlée. Ja – la’ me wel wezen – zo heet het nóg, maar hij is nu weer bezig de naam te veranderen, want nu heeft-ie weer iets tegen het begrip “lijf”. De voorstelling die we ons van het “lijf” maken, dat is maar een “sussend drogbeeld” dat “Moeder de Mij” ons heeft ingeprent, waar wij dan in trappen weet je wel? Puilenbroek tot en met! Je zult eens een keer ergens vrede mee hebben, stel je voor!’
        ‘Maar nou even – zei je dat ze vandaag pas die tai chi-spullen komen brengen? Ik dacht dat je die allang had!’
        ‘Ze hadden ze ook veel eerder beloofd, ja. Maar ja wat wil je – Puilenbroek ?’
        Wij reden inmiddels door een weids Fries landschap. Het weer bleef zeer bedenkelijk. Ik dacht terug aan het blauwe pak van Vera, zoals zij door de zon op het perron wegliep. Ik hoopte dat het morgen mooi weer zou zijn voor het filmen.
        ‘Vind ik toch niet zo erg hoor, op deze manier kunnen we misschien tenminste zo’n beetje vrede stichten, Ed en ik. Hij was natuurlijk des duivels toen mijn seks-boek uitkwam, met – ken je ’t?’ – ik knikte – ‘met dat hoofdstuk over Wilhelm Reich, dat ik het allemaal zo’n onzin vond, de Functie van het Orgasme. Puilenbroek die heeft destijs zo’n beetje naam gemaakt met z’n eigen boek, Het orgasme de brandstof van het leven. Heb je ’t weleens gelezen?’
        ‘Nee’.
        ‘Nou, je hebt niks gemist. ’t Is één en al het Waterloopkundige Model. Je hebt stuwing, en je hebt ontlading. Het enige wat we als mensen doen, is tussen die twee in pendelen. Meer niet. Vindt-ie prachtig, Puilenbroek, want dan is het zo lekker niet-mentaal. Je wórdt bewogen, je kiest er niet bewust voor of zo. Ja, dat staat ook in zijn boek hè, ik weet niet meer of het een uitspraak van Reich is: “het brein is maar een parasitair orgaan dat leeft van de energieën van de rest van het lichaam”.’
        ‘Tja. Nouja’.
        ‘Al-thànsss...dat dacht-ie alweer tot voor kort! Hoe die er nú over denkt, zou ik je niet kunnen vertellen, want toen ik hem laatst in Steenwijk op straat tegenkwam, keurde hij mij geen goedenmiddag waardig. Nuja, hij vindt mij een eunuch gewoon, nietwaar, zo’n schoolmeestertje dat niet met z’n handen werkt, da’s natuurlijk iemand die niet goed neuken kan!’
        ‘Hij heeft toch vroeger ook lesgegeven?’
        ‘Jawel, maar nu rijdt hij op een hele grote motor, brrr-ombrrrom-brrrommm!’ Hij lachte. ’t Is om je rot te lachen, wij oude kerels allemaal. Alles behalve gewoon toegeven dat je een uitgekakte ouwe lul bent. Je mag iedere dag dankbaar zijn dat je nog leeft – en dan zou je nog de grootste pik van de hele roedel willen hebben!
        ‘Trouwens, het zal mij benieuwen straks, of hij zelf rijdt. Zijn rijbewijs was een tijdlang opgeschort. Want hij gelooft nu dat wij burgers maar zoveel mogelijk in opstand moeten komen tegen Moeder de Mij, en dat begint al bij de verkeersregels. Hij rijdt weleens gewoon door rood heen, want dan laat-ie zich niet door Moeder de Mij “knechten”, dat is zijn woord. Heeft-ie weleens een keertje teveel gedaan dus. Ik zag hem op TV, dat ie erover praatte. Hij zei dat we ons allemaal “zelf-oordeelkundig” moesten leren opstellen’.
        ‘Maar dan zonder brein zeker!’
        Hij lachte dat de auto even bijna van de weg af raakte. Een verlaten weg gelukkig, want wij hadden de rijksweg al verlaten en hobbelden nu over een boerenbaan, half gras half grind, op zijn huis af. Een gerenoveerd boerenhuis, wit met antracietgrijze dakpannen, helemaal aan de dorpsrand, aan drie kanten door velden omringd. Ik voelde mij er al vóór we aankwamen thuis.

Wij hadden boterhammen met kaas gegeten en zaten nog na te praten toen zij aankwamen. Muus ging mij voor naar buiten en wuifde in de richting van de knalrode bestelwagen die er stond. Ik zag dat Vera achter het stuur zat, met naast haar een niet-glimlachende man die nu uitstapte, ondanks zijn extreme zwaarlijvigheid toch nog behendig zich door de deur heen werkend. Daar nog achter rees nog een derde kop: van een afghanse windhond. Klopt met de verhalen, dacht ik: geen gemoedelijke hond die het liefst voor het bankstel ligt te doezelen maar een prikkelbaar, nog maar gedeeltelijk opvoedbaar soort.
        ‘Kom maar Matt!’ zei Puilenbroek op een commandotoon terwijl hij de zijdeur openschoof en alvast de hond eruit liet. ‘ – zullen we ’ns even gedag zeggen tegen de vader des huizes?’
        Baf, dacht ik: begint goed! Intussen gaf Vera Muus een hand. Daar stond zij weer, prachtig in het blauw dat de hemel al niet meer had, want het was sterk afgekoeld en je rook al vocht in de lucht.
        ‘Zo, Ed!’ riep Muus optimistisch, maar zijn groet viel weg tegen het luide drukdoen van Ed met Matt. Heb je ’t weer, dacht ik, de bliksemafleiderfunctie van het Hollandse hondje.
        Toen Matt juist iets leek te bedaren, liep Ed meteen met hem weg, een eindje terug de oprijlaan in, en bond hem vast aan de stronk van een jasmijn langs de kant. Matt pieste er alvast tegenaan.
       Vera keek mij in de ogen. Zij zag er gespannener uit dan vanmorgen, maar haar hand en haar glimlach waren heel warm. ‘Daaf, wat toe-val-luuhgg! Had ik het geweten, hadden we een heel stuk samen kunnen reizen!’
        ‘Een volgende keer dan!’
        Muus vroeg de gasten of ze binnen thee kwamen drinken, maar Puilenbroek – die hem wel even een hand gaf – verklaarde dat hij geen dorst had, hij bleef liever buiten om ‘een beetje van de frisse lucht te genieten’. Vera nam een kartonnen doos uit de auto en liep ermee met Muus naar binnen.
        ‘Beginnen jullie maar vast’ zei ik, ‘ik blijf nog even buiten’.
        Ik keek en luisterde hoe Vera in de hoge witte laarzen door het grind wegstapte. Van de andere kant van mijn hoofd bereikte mij het sputteren van een aansteker. Ik hoefde niet te kijken want ik rook het al – het zal niet waar zijn, dacht ik: Van Nelle Zwaar.
Terwijl Matt nu in beide gedaantes zijn behoefte deed, blies Ed rustig rook uit en keek toe. ‘Ik hoefde hier helemaal niet langs te komen’, zei hij. ‘Ik had Vera net zo goed al die boekjes en bandjes kunnen laten afgeven. Maar ik wilde mee naar Leeuwarden, die leraar van de trein halen. We hebben d’r al bij die Vereniging afgeleverd. Ik wou dat China-wijfje eens van dichtbij besnuffelen’.
        ‘En – ?’ gooide ik op.
        ‘Nnjja weejjettiss...’ Een diepe haal aan het sjekkie. Rook inhouden, goed even kijken naar de boerderij in de verte. Exhaleren onder licht hoofdschudden. ‘Neeweejje – je hoort zoveel over de Chinezen, dat het zulke vrolijke rustige mensjes zijn die geen last hebben van onze “Westerse splitsing tussen lichaam en geest” – bij die woorden hief hij beide handen theatraal op en schreef aanhalingstekens in de lucht – ‘maar alles wat ik van ze zie en meemaak – is daar de volkomenste weerlegging van.
        ‘Kijk, Jiang Wei – zo heet ze toch? – ’ hij sprak het ‘Diaang Wij’ uit maar ik greep niet in – ‘zij...ze heet dan tai chi-lerares, ze moet een lopende encyclopedie zijn van al die ontspanningstechnieken, maar als ik d’r zie, dan zeg ik: meid, ga jij nou maar eerst eens een jaartje in therapie! Als ik dat gekwelde smoelwerk van d’r zie – als ik naar d’r kijk als ze ’t niet in de gaten heeft – man, dat is me toch een verschrikk-kuh-luhk plaatje enervering, daar word je niet vrolijk van!’
        Weer een diepe inhalering – lang inhouden, wegkijken, uitblazen, as aftikken – ‘en dat gezicht hè, als ze je aankijkt, dan is daar iets mee, dat klopt niet ergens. ’t Is of haar gezicht verdeeld is in een bovenste helft en een onderste helft, en die doen allebei iets heel verschillends. Die grote lekkere geile lippen van d’r, die glimlachen wel, maar jou echt hartstikke in de ogen kijken is er toch niet bij, ze mijdt je blik als de hel’.
‘Kan kloppen’ zei ik. ‘Ja, ik weet niet hoe het bij haar vroeger thuis was, maar als ze nog heel traditioneel opgevoed is, mág ze jou niet aankijken, want je bent een man’.
        ‘Wánt ik ben een man. Kun je nagaan, wánt, ja kostelijk!’ Hij barstte in lachen uit, en zoals bij vele zware rokers werd de lach door gehijg overgenomen dat wel even duurde, voordat het eindelijk met een paar kundig gedempte kuchjes en wat keelschrapen werd afgesloten. Daarna een laatste, nog extra diepe haal. Lang inhouden en met een beschouwende blik wegkijken. Uitblazen en meteen de peuk op het grind wegpinken. ‘Toch zijn ze niet allemaal zo. Neem nou zo’n Vera’.
        ‘Ja-a-a, wacht nou eens even, die is helemaal hier opgegroeid, tenmidden van allemaal Hollandse horken en Christelijke krengen – ’
        ‘Jawel, jazeker, maar toch. Het is en blijft een Oosterse. En daar zit ze maar mee. “Wat moet ik met mijn vrouwelijkheid aan in een samenleving die niet wil dat vrouwen zich vrouwelijk gedragen? En van de andere kant – als ik te fors van lichaamsbouw ben en teveel kracht uitstraal om het lieve Oosterse vrouwtje te zijn – wat voor soort vrouwtje moet ik dán zijn? Neeweejje, Vera – die heeft er echt heel hard aan gewerkt, bij zichzelf. Wat je nu voor je ziet is al een heel andere Vera dan een paar jaar geleden’.
        ‘Ik weet het. In de trein hier naartoe herkende ik haar eerst niet eens’.
        ‘Dat zal best, ja. Kijk, ik heb zelf jarenlang therapiegroepen geleid hè, en daar kwam zij bij wat zal ’t zijn, zo’n vijf, zes jaar geleden. We noemden het Biocentrische Therapie, zeg maar de methode van Leo Anaxides. Toen ik daar nog in geloofde hoor, maar da’s weer een ander verhaal. Wakzeggewou – Vera toen hè, die komt daar opggeem-ment binnen nou, dat was één groot pak verlangen, dat zag je daar zo aan af. En die grote kwetsbare ogen, één en al behoefte, zo van Hier ben ik, wie o wie komt mij opvangen? Nou die ogen die keken je wél aan! Ja, binnen de groep was ’t lastig hoor, binnen de kortste keren waren alle mannetjes bloedgeil op d’r! Jammer voor ze, want vrijen met Vera was er niet bij, ze was vroom katholiek! Ja tóen, wel te verstaan’.
        Matt sloeg aan. Over de omgeploegde akker heen had hij een andere hond gezien die met zijn eigenaar, een boer, langs de bomenrand liep. Samen met een lichte mestgeur bereikte ons van die kant ook prompt geblaf. Ed wuifde in de richting van de langzaam bewegende gestalten.
        Hij bleef een aantal sekonden die kant uit kijken en spuwde plotseling bits: ‘Lul!’
        ‘Wat is er?’
        ‘Klootzak geeft geen kik terug. Kijk, ik probeer altijd en overal waar ik kom alvast iets van die gemeenschap tot stand te brengen, die we allemaal zo broodnodig hebben, waar we allemaal dagelijks om verkommeren – maar je kunt het niet in je eentje doen he? Voor de meeste mensen is het veel te bedreigend. Contact, warmte uitwisselen met een onbekende? Levensgevaarlijk! Streng verboden! Nee, ik hou niet van al dat dooie verbooiene wat er is. Geef mij dan maar liever iemand die op z’n tijd een knuppel in het hoenderhok wil gooien.
‘Kijk, Muus en ik die hebben nog onze meningsverschillen, zo is ’t niet, maar ik geef hem groot gelijk als ie nou die hele tai chi-onzin eens gruwelijk aan de kaak wil stellen. Dat Vera er nog in gelooft, daar kan ik niks aan doen, dat is haar zaak.
‘Da’s nou een onderwerp waar ik me echt over kan ergeren, die hele Oosterse Rust-cultus. De grote Zachtheid, het grote Niets-Doen. Maar zien dat we alle aggressieve momenten uitschakelen, dan zal het goed met ons gaan.
        ‘Maar ondertussen? Olie drijft boven. We kúnnen de instincten niet uitschakelen, want daar zit ons leven in! Wou je ’t leven tegenhouden? Je kunt het veel beter eerlijk onder ogen zien, en die instincten een beetje te vriend houden door ze in ieder geval af en toe een lekker brokkie toe te gooien! Ja toch hè, Matt? Ja, dat driftmatige, dat kun je echt niet wegwerken.
        ‘Neem nou die grote tai chi meester van vroeger, Jaang Baan Hoo – spreek ik het goed uit? ja? – nou, ik vond een biografisch stukje over hem, dat zit ook in ’t pakketje, dat ie ondanks alle tai chi last bleef hebben van woede-uitbarstingen tijdens het sparren, hejjetweer, de beweging haalde bij hem kennelijk dat hele aggressieve stuk naar boven dat ie normaal altijd keurig weghield. En dat-ie op het laatst zelfs zijn eigen dochter doodsloeg – is dat waar?’
        ‘Dat weet ik niet. Maar ik heb het weleens gelezen inderdaad’.
        ‘Nou, da’s dan de grote Woe Wij. Het grote Niet-Ingrijpen, weejje?’ Lach. Hijg. Kuch. Hij greep naar zijn zakje sjek.
        ‘Nee, ik hou d’r niet van. Uit naam van de grote Rust maar trainen, jezelf maar volgens het boekje knechten, eronder houden, ontkennen. Het is ook zo verdomd maatschappijbevestigend – braaf thuis je oefeningen doen en ondertussen de hele klote-maatschappij lekker ongestoord door laten functioneren. Nee hoor, geef mij maar iemand die nou eens de hele verziekte boel grondig overhoop haalt!
        ‘En ik zal je nog wat anders vertellen’. Nu werd zijn toon gedempt, samenzweerderig; hij leunde iets voorover naar mij toe en liet zijn kin licht zakken tot zijn ogen uit hun bovenste randen mij aangluurden. ‘Volgens mij zit er ook iets onfris in, iets séance-achtigs. Spiritisme dus. Spokenverering’.
        ‘Dat mag je eens uitleggen!’
        ‘Nou, dat zul je straks zien – in ’t pakketje zit er een boekje De ware tai chi overlevering van Grootmeester Zhong Furen. Furen is dus allang overleden, maar na zijn dood hebben ze nog een hele tempel voor hem gebouwd, in zijn geboorteplaats. Daar kun je als leerling naar toe om wierook te branden voor de overleden Grootmeester. “Een geurtje opzenden voor de Leraar” heet dat dan. Nou, da’s toch ongelofelijk gevaarlijk?!’
        ‘Hoezo gevaarlijk?’
        ‘Nou! Kijk, die wierook is natuurlijk flauwekul, da’s gewoon een symbool waar je aandacht zich aan hechten kan. Da’s gewoon zelfhypnose. Maar wat je in feite “opzendt” – dat is jouw energie! En zo’n Grootmeester die mag dan overleden zijn, maar zijn Astrale Lichaam dat blijft nog járen in de buurt rondhangen natuurlijk, en dat ding dat voedt zich, dat teert op jouw energie, dat zuigt jou uit! Die Grootmeester die je aanbidt, die parasiteert mooi op jouw vitaliteit? Geloof jij daar in?’
        ‘Nee. Daar geloof ik helemaal geen fuk van’.
        ‘O. Nou goed. Iets anders. Is het waar dat tai chi leraren je adviseren om als je thuis in je eentje traint, je voor te stellen dat zij het eigenlijk zijn die in je bewegen – dat jouw lichaam met het hunne samenvalt?’
        ‘Sommige leraren zeggen dat, ja’.
        ‘Nou, da’s toch háaa-rtstikke gevaarlijk? Om dat piepkleine ikkie dat je bezig was los te maken uit alle invloeden om je heen, weer in te leveren? Om over jezelf een soort vrijwillige bezetenheidstoestand af te roepen?
        ‘Joh ik heb ze gezien, in de therapiegroep, dat ze iets uit het verleden herbeleefden, dat ze dan opeens een heel ander iemand echt wáren. Met een heel andere stem spraken, andere motoriek, ander alles. Mag je dan zien hoe je ze terugkrijgt in het hier en nu. Hier zo, Vera hè, ik heb haar een keer meegemaakt dat ze een hele middag lang echt één en al een man was. Ik zeg niet: ze was een jongensmeisje, nee: ze was een man! Ongelofelijk, niet na te vertellen zo eng!
        ‘Toen heb ik gezegd: meid, je moet maar heel gauw zorgen dat je ’n vriend krijgt, want dit gaat niet goed zo, met jou. Ik zei: die mannelijke energie waar jouw lichaam zo naar verlangt, die probeer je nu zelf van binnen te nemen, net doen alsof er al een man in je zat, maar dat hou je niet vol, jouw lichaam laat niet met zich sollen. Die mannelijke energie, die moet je een ander mens, een man voor je laten belichamen, zul je zien hoe je daarvan opnkapt’.
        ‘En – heeft ze dat gedaan?’
        ‘Nou, wèl, ja, toch wel. Op een bepaalde manier heeft ze dat gedaan, ja’.
        Hij keek op zijn horloge. Ook ik dacht opeens: ik ga toch eens kijken hoe ver ze zijn, en of er nog thee is.

(wordt vervolgd)

Meester Muus (novelle: deel 3 van 8)

(uit Optekeningen over het Uitzonderlijke uit een Sinologisch Studeervertrek 漢齋誌異 van Lloyd Haft)

Ook nu ging Ed niet mee naar binnen, maar bleef over de velden uit staan kijken, vermoedelijk om elk moment in te kunnen gaan op een volgende mogelijkheid tot gemeenschapstotstandbrenging.
In de keuken lag de antieke houten eettafel vol met boeken en DVD’s over tai chi in verschillende talen. Het dichtste bij de stoel waar Muus nu met een glas wijn vóór zich zat, was een DVD met bijbehorend boek in het Nederlands: Terug naar het lichaam, Tai chi als levensgeheim, volgens de kleine letters eronder ‘De moderne vereenvoudigde Yang-stijl, uitgelegd en stap voor stap voorgedaan door Leraar Shen Weiran’.
        Ik had nooit van Shen Weiran gehoord, maar dat zei misschien niet zoveel. China zat vol met ‘meesters’ die naar eigen zeggen jarenlang ‘in de bergen’ tai chi hadden geleerd van de laatste nog levende dragers van de ‘ware overlevering’, en die nu op internet samen met hun veelal Amerikaanse impresario’s fragmenten lieten zien uit langere ‘instruction videos’ die ze je wilden verkopen.
        Toch vond ik het een wat eigenaardige naam, ‘Weiran’. Er stonden geen Chinese karakters bij, dus kon ik niet zeker weten wat het betekende, er zijn verschillende Chinese woorden die als wei en ran worden uitgesproken. Toch allerwaarschijnlijkst ‘Ter Wille van Hoe Het Is’. Het klonk als een Taoïstische naam, later in het leven bewust aangenomen, niet zozeer een naam die je een kind bij zijn geboorte zou geven. Of moest het zijn ‘Zoals Het Nu Eenmaal Is’? Ook dat had een Taoïstische of Zenboeddhistische bijklank.
        Vera stond nu naast mij met een mok thee. ‘Neem je er nog iets in?’
        ‘Nee, dank je. Zeg deze , van Shen Weiran – die ken ik niet, is die pas net verschenen of zo?’
        ‘Nee, nog niet verschenen. Deze hebben we zelf namens de Stichting gemaakt. ’t Is gebaseerd op een nieuwe, vereenvoudigde bewegingenreeks. Wij wilden het zo’n beetje tijdens deze werkshop uitproberen, kijken of het bij Nederlandse newcomers goed aanslaat. Tenminste, uiteraard, als jij en Muus het een goede keus vinden’.
        ‘Ja natuurlijk, ik bedoel, jullie weten wat er op dat gebied het meest geschikt is’.
       
De auto met Ed, Vera en Matt erin was nauwelijks in de verte verdwenen of Muus zei: ‘Nou, toch zo langzamerhand tijd voor een borreltje, vind je niet?’ Ik had allang gezien dat naast de koelkast op de grond een geopende gele kartonnen doos stond met zes literflessen Ketel Een erin.  Muus haalde nu één van de flessen eruit, deed de koelkast open, en verwisselde de nieuwe fles voor één die in het vriesvak lag, die nu nog maar voor zo’n kwart gevuld was. ‘Pak jij twee glaasjes uit die kast?’ Dan gaan we “binnen zitten”, zoals wij dat vroeger noemden’. Hij nam van het aanrecht een doorzichtig plastic doosje met gemengde noten mee en ging mij met de fles voor.
         Hoog tot bijna aan het plafond stonden de boekenkasten; eigenlijk moest je eerst eromheen zoeken om vast te kunnen stellen wat voor kleur de muren erachter hadden: wit. Juist in een nis tussen twee boekenkasten hing er een omlijste zwartwitfoto aan de muur, van een glimlachende jonge vrouw in een badpak, die ergens aan een strand stond met achter zich de zee.
        ‘Dat is Bea, mijn vrouw. Zo heb ik haar leren kennen – we hebben elkaar op het strand ontmoet. “Samen aangespoeld”, zeiden we altijd. Kom maar, lekker zitten’.
        Wij installeerden ons in de zithoek met een prachtig weids uitzicht over het land, op het zuidwesten waar op deze hoge Noordelijke breedtegraad de zon tegen de late middag pas tot haar recht begon te komen, details en gevoelstoetsen ophalend die tijdens het fellere deel van de dag onopgemerkt waren gebleven.
        ‘Hier zit ik het liefst’ zei hij. ‘Dit uitzicht, daar kan ik de hele dag naar kijken. Ken je die regel van Jellema, “de zin die niets verklaart”? Nou, voor mij is dit de klaarheid die niets verzint – helemaal zuiv-’ maar de telefoon ging al: een mobieltje op de werktafel in een hoek van de kamer. Muus grimaste even, zette het volle glaasje weer neer waarmee hij op het punt had gestaan te proosten, en stapte snel erop af.
        ‘Ja hallo, met Aarts? – dag Vera, wat kan ik voor je doen? – o – juist, ja – nou prima joh, natuurlijk, mocht er een probleem zijn ja, maar dat zal haast niet, want ik heb hier een Deskundige tegenover me! Ja prima, en tot morgen dan hè, da-a-a-g!’
        Hij ging weer zitten en hief zijn glas. ‘Santé hoor! Vera gewoon, dat ze nu inplaats van in Leeuwarden, allemaal bij Puilenbroek blijven slapen vanavond. Ze gingen al aan tafel.
        ‘Apropos, je vindt het toch niet erg straks hè, om gewoon een paar pizza’s te eten, uit de diepvries? Dacht ik wel, gewoon met zo’n slapak erbij en een lekker ijsje – ja, al dat koken, vooral dat klote afwassen iedere keer maar weer, daar heb ik zo’n pokkenhekel aan!’
        Hij leegde in één slok zijn glaasje en schonk meteen weer in. ‘Bea, die had er geen probleem mee, die hele huishoudelijke kant. Overdag doceerde ze theologie hè, maar dan ’s avonds lekker in zo’n keuken rommelen, zo met de materie bezig zijn, dat vond zij prettig. Dat is mij veel te concreet allemaal, ik ben veel liever ergens heel ver weg, met de getallen en de cosmos – misschien juist daarom dat ik het allemaal nog leren moet, juist nog die aarde-kant.’
        ‘Nou ja wie weet’ zei ik, ‘je heet dan ook Aarts!’
        ‘Jazeker, daar moesten we ook altijd behoorlijk om lachen. En toch ben ik het wel weer, op mijn manier. Als ik ’s avonds hier zit, zo tegen zonsondergang, en ik kijk naar al die prachtige bomen daar ginder, dan zijn het voor mij allemaal mooie vrouwen die daar staan zwaaien, met hun mooie armen – ‘arm’ kan ook ‘tak’ betekenen, weet je – ja, kom maar hier met je glaasje’ – ik liep al naar hem toe – ‘en dan helemaal als de zon ondergaat, dan zie je ’m daar nog een hele tijd staan hangen, zo net nog onder die takken, en dan wordt ie vastgehouden door al die mooie vrouwenarmen, die willen hem gewoon niet loslaten!’
        Nog naast hem staande nam ik de eerste slok van mijn nieuwe volle glaasje. Hij hief zijn eigen glas: ‘Dat het je tot eer mag strekken hoor! Ja, zo proostten wij altijd, als we samen waren. Dat was een regel uit een book over de mystiek van de troubadours, waar Bea erg veel van hield, van Nelli: “gekte die tot eer strekt, is meer waard dan verstand”. Dat zeiden we dan altijd, “als het je maar tot eer strekt”!
        Het beloofde een praatrijke avond te worden. Ik hoopte maar dat we tijdens het werkgedeelte, over de tai chi, nog redelijk nuchter zouden zijn.
        ‘Ja’ ging hij door, ‘ik ben altijd al een erge armen-maniak geweest. Zo viel ik op Bea ook. Ik ging vroeger altijd speciaal naar het strand om naar al die zalig blote armen te kijken. Op een gegeven moment stond Bea daar, met die lange armen van d’r, ze zat toen helemaal in het wedstrijdzwemmenwezen en zo, nou jongen, ik zei meteen: die is het!
        ‘En zo zie je maar. Een mens verandert wel, maar in de dingen die echt een probleem voor je zijn, verander je ongeveer niet. Als klein jongetje keek ik altijd naar de armen van de meisjes. Later keek ik naar de armen van de vrouwen. Als ouwe zak kijk ik nu naar de armen van de bomen, en vertel mezelf dat het vrouwen zijn. Maar ik zit de hele tijd tegen je aan te lullen! Vertel eens, wat doe je zoal, nu je niet meer “onder professoren” bent?’

Na het ijsje dronken we sterke koffie, maar ik deed niet mee aan de cognac. Terwijl wij uit de piepende keukenstoelen opstonden en met onze drankjes in de hand weer naar de kamer liepen, voer Muus voort: ‘ – en al dat gelul over Saturnus wat er vandaag de dag allemaal is – moet je maar eens een recent Nederlands boek over astrologie openslaan – dat Saturnus “de ikmaker” zou zijn, of het “ikmakend vermogen”...ze gebruiken – en misbruiken o! – die prachtige regel overigens, van Freud: “Wo Es war, soll Ich werden”. Dat zal dan de grote bevrijding zijn, dat je je alles bewust bent, alles begrijpt. Zo van, ik krijg het hele rotzooitje nog eens bewust, en dan heeft het geen macht meer over me, en dan kan ik een nóg grotere, nóg onuitstaanbare klootzak zijn want alle innerlijke remmingen zijn lekker weg, ze kunnen ’t me doen en wie had er wat!
        ‘Nee, Saturnus, dat hele ik-is-alles gedoe, weet je hoe dat komt? Omdat de mensen tegenwoordig niet meer in zichzelf geloven. Ze weten niet meer wie of wat ze zijn, dus stellen ze zichzelf maar als een wegwerpartikel op. We hebben het in onze tijd over een “uitdijend heelal”, maar ik zeg: nee, het heelal dijt niet uit, de waarnemer krimpt in, dát is het! De mens máákt zichzelf steeds kleiner!’
        Mijn hemel, dacht ik, laten we maar gauw proberen een beetje over tai chi te praten, hopelijk kan het nog even.
        Wij verzetten een paar stoelen en zetten zijn DVD-projector op een vouwtafeltje neer. Tot mijn verbazing bleek hij boven het raam een projectiescherm te hebben gemonteerd. Wij deden de luxaflex en de gordijnen dicht en lieten het scherm neer. ‘Muus’ zei ik, ‘ik zie jou toch niet aan voor iemand die iedere avond films kijkt en karaoke zingt. Waarom heb je al deze apparatuur? Ik dacht dat je een eersteklas boekenverslinder was’.
        ‘Jawel, ben ik ook. Maar al die wetenschappelijke series tegenwoordig, die kijk ik zo graag. Toen ik met astrologie bezig was, kocht ik zo’n hele doos over de geschiedenis van de sterrenkunde. Fantastisch! Nu heb ik er een over de geschiedenis van taal en schrift, ga maar door! Ik vind de techniek op zich ook leuk, op mijn manier maak ik ook weleens filmpjes’.
        Intussen had ik de tai chi-DVD van de Stichting in het gleufje geduwd. Ik zou de projector bedienen zodat Muus ongestoord kon kijken naar de exotische lichaamsbewegingen die hij voor het eerst zou zien.
        Na een paar inleidende schermen met namen en credits kregen we het menu Houding Selecteren, met een lijst van De Tweeëntwintig Houdingen.
        ‘Wacht eens even’ zei Muus: ‘ik zie dat er tweeëntwintig houdingen zijn. Heeft dat ook te maken met de tweeëntwintig letters van het Hebreeuwse alfabet?’
        Dit gaat goed, dacht ik. ‘Nee, dat lijkt me echt uitgesloten, het zijn twee totaal verschillende culturen’.
        ‘Nouja, nouja, uitgesloten...’
Ik koos bovenaan het menu Houding Selecteren het onderdeel ‘Het paard loopt los en de manen waaien vrij’. De naam van de houding verscheen op het scherm in Chinese karakters, met als achtergrondmuziek traditioneel Chinees fluitspel. Daarna kregen wij, net als bij de presentatie van alle Houdingen, eerst een kort leerdicht dat de essentie van die Houding, en ook iets van de techniek, moest overbrengen. Het versje verscheen in het Nederlands terwijl de tekst werd voorgelezen – onmiskenbaar door de vitale en toch zo gevoelige stem van Vera:

De adem die mijn handen aanstuurt
blijft mij vooruit als een spiegel.
Waar ik mezelf voluit zie staan:
van daaruit stap ik fier af
op de Grote Ontmoeting.

Tjonge jonge, dacht ik. Vertalingkje, volgens mij zeker van Laird Holt. Zou het origineel er nog vagelijk op hebben geleken?

(wordt vervolgd)

Meester Muus (novelle: deel 4 van 8)

(uit Optekeningen over het Uitzonderlijke uit een Sinologisch Studeervertrek 漢齋誌異 van Lloyd Haft)

        De DVD draaide door terwijl de fluitmuziek werd hervat. Nu zagen wij hoe Leraar Shen zelf, gekleed in een wit athletiekpak met witte gympen, ‘Het paard loopt los en de manen waaien vrij’ uitvoerde, van begin tot einde tevreden glimlachend met half-gesloten ogen. Toen hij in een houding kwam die naar mijn ervaring de afsluiting moest zijn, bleek hij nog verder te gaan. Zijn achterste arm stiet nog met gesloten vuist door naar voren, waarna hij beide armen eerst terughaalde en dan weer met open handpalmen naar voren duwde. Hij bleef in de voltooide duwhouding staan terwijl het gesuperponeerde beeld verscheen van een glasplaat waar zijn handpalmen tegenaan drukten.
        ‘Ja’, zei Muus, ‘jaja ho maar, effen stoppen, hier’. Hij leunde in zijn fauteuil achterover en pakte gelijk zijn jeneverglas op. ‘Dit is nou een prachtig voorbeeld, wat ik je daarnet al zei, dat al die tai chi bewegingen in feite allemaal uitbeeldingen zijn van innerlijke toestanden. Zo’n paard dat los wil lopen, en dat de manen vrij willen waaien, dat is gewoon je vitaliteit, dat is dat zoveel miljoenen jaren oude dier in je dat niet altijd in het klote-gareel wil lopen. En dat het tegen zo’n glasplaat, tegen zo’n venster aanloopt – da’s dan het bewustzijn, waar het lichaam niet meer bij kan. Het zou wel willen, maar het kan er niet meer bij. ’t Is net een kindje dat met z’n neus tegen de ruit naar buiten kijkt, als het regent’.
        Zijn stem brak en hij kreeg tranen in zijn ogen. Hij nam een flinke slok jenever, zette het glas neer en pakte met dezelfde beweging zijn sigaretten en aansteker op. ‘Ja sorry hoor, sinds die hele geschiedenis met Bea heb ik wel zo nu en dan mijn labiele ogenblikken dussss!’ De laatste sisklank ging naadloos in het sissen van de aansteker over.
        ‘Ja natuurlijk’ zei ik en keek weg naar het scherm. Met mijn gedachte ging ik terug naar wat we gezien hadden, net nog vóór de glasplaat er tussen was gekomen. Waarom had Leraar Shen die laatste twee bewegingen toegevoegd, de vuistslag en de duw? Ik kende die bewegingen, maar dan niet van de Yang-stijl. Voor mij waren het kenmerken van de Tsj’en-stijl, volgens de boeken een oudere vorm van tai chi waar de Yang-stijl zich later van afsplitste. Zodoende combineerde Shen in één nieuwe synthese de vurige, aggressieve bewegingen van Tsj’en met het zachte, schijnbaar afwachtende van Yang. Eigenlijk net als Vera met haar man- en vrouwelijkheid, dacht ik: weer een yin- en een yang-moment in één mens belichaamd.
        Ik vond de bewegingen niet fraai. Zoals Shen daar stond en bewoog en naar voren kwam, maakte hij vooral de indruk van een loom oud man. Hij beheerste de Houdingen wel, maar het leek of hij zijn hoofd er steeds bij moest houden. Bewoog hij zich zo langzaam omdat de Innerlijke Energiestroming door een sneller tempo uit balans zou raken, of bracht hij snelheid gewoon niet meer op?
        Hoe dan ook, het had iets onbehouwens. Een schrijnend contrast met de dromerig-zachte fluitmuziek die voortdurend doorging en die ik hoe langer hoe meer hinderlijk afleidend vond. Een andere stijlbreuk vond ik de schematische uitbeeldingen van de visualiseringen die je je tijdens het maken van de bewegingen moest voorstellen. Deze verschenen om de paar sekonden in schelle kleuren die het langzaam draaiende lijf van Shen omgaven – een platinawitte ‘ring van energie’ om zijn heupen, die als een loszittende hoelahoep met zijn romp mee draaide; een goudkleurige ‘loodlijn uit de hemel’ waar de kruin van zijn hoofd van af hing en die door zijn lichaam heen doorging tot in de grond onder zijn voeten. Door de technische glamour waarmee ze waren getekend en gemonteerd, gaven zij mij des te meer het gevoel dat Shens verouderende lichaam achterbleef bij de souplesse en vitaliteit die de tai chi bij hem op peil moest houden.
        Ik keek naar Muus, die inmiddels al een volgende sigaret uit het pakje lostikte. ‘Muus, wat vind je eigenlijk van deze DVD op zich? Vind jij hem ook zo rommelig – ik bedoel, zo ingewikkeld, met al die visualiseringen erbij en zo – ‘
        ‘Nee, juist niet, die vind ik juist zo interessant!’ Hij stak op maar inhaleerde nog nauwelijks: ‘Kijk, in zekere zin is ons lichaam als zodanig ook maar een visualisering nietwaar...wij doen als óf het organisme heel vertrouwd was, “lekker in mijn vel” en zo. Wij maken ons er allemaal voorstellingen van, beelden van hoe geweldig harmonieus dat allemaal in elkaar moet zitten, zo’n organische samenhang en al die onzin meer, maar niemand die het weet hoor, hoe zo’n mens echt in elkaar zit. Waarschijnlijk zullen we daar nooit achter komen ook, volgens mij is dat hèt mysterie.
        ‘Maar volgens mij is het voor hem ook – ’ hij wees met zijn sigaret naar het scherm – ‘iets wat nog niet vast ligt. Dat lichaam van ’m, daar heeft ie maar geen vrede mee, hij wil zich voortdurend voorstellen dat het anders is, perfecter, beter dan het is. Eigenlijk wil hij het ook het liefst opheffen, hij wil er vanaf. Trouwens, dat heb ik al gezien, het staat ook ergens in het boekje, dat je je maar voortdurend moet voorstellen: mijn lichaam kent geen dichtheid, het is alleen maar één grote verzameling aanrakingspunten in de ruimte. Dat vind ik een hele mooie uitspraak’.
        ‘Jawel, maar het klopt niet met wat je op het scherm ziet. Want wat je daar ziet, is dat het toch een behoorlijk corpulente man is!’
        ‘Jazeker, maar dat verhindert niet dat ook hij zijn...behoefte...heeft aan aanraking – ’ Hij begon te snikken en keek weg.
        Hoe moet dat nou, dacht ik. Hadden we zoëven maar niet over Bea gepraat. Maar hij is er zelf over begonnen.
        ‘Daar ben ik weer hoor’ zei hij.
‘Nuja’ zei ik, ‘en dat “gevorderde” gedeelte achterin, waar hij alle mogelijke bewegingen van je handen en armen, dat-ie die allemaal herleidt tot variaties op hetzelfde – dat het zich allemaal afspeelt vanuit één grote “ballon van gevoel” die tussen jou en de wereld bemiddelt – dat vind ik echt een geweldig beeld’.
        ‘Jawel, zeker. En dan ben je weer bij de astrologie terecht – een denkbeeldige sfeer die jou met de hele wereld verbindt’.
        ‘Hee, wat zullen we nou beleven, ik dacht dat jij helemaal niet in astrologie geloofde’.       
       ‘Nee, klopt, ik geloof er ook niet in. Maar ik wou dat ik erin kon geloven, want de gedachte die er achter zit is zo mooi! Dat er iets is wat jou met het hele gebeuren verbindt, daar komt het bij de hele astrologie op neer. Tenminste, dat heb ik eraan overgehouden. Ik heb het helemaal afgekraakt, maar achteraf heb ik er iets heel moois aan overgehouden. En zo is het ook altijd geweest, in mijn leven. Ik moet altijd iets eerst helemaal kapot maken, en dan weet ik hoe mooi het is geweest. Ja, en met Bea helemaal dus...’
        Ik zag hoe hij weer verdacht snel met zijn ogen knipperde en naar de fles greep. Ik toetste snel door naar de volgende Houding: ‘Ooievaar klapt de vleugels uit’. Wij lazen samen het versje :

Waar de vier muren klemden, heb ik nu
tot woonst de windstreken.
Wat handen niet konden
zullen nu mijn vleugels doen.

‘Zie je wel’, zei Muus, ‘alweer het lichaam opheffen. Zo van, ik heb geen handen meer, kijk mij eens, ik heb vleugels. Ik zit helemaal niet aan die hele klote-aarde vast, ik kan nog overal terecht, ik ben een vogel’.
        Ik drukte op Fast Forward om de detailbewegingen over te slaan. ‘Kijk Muus, en de volgende, die moet jij morgen op de film uitvoeren, samen met Jiang Wei’.
        ‘Hoe heet deze ?’
        ‘“Al schuin stappend de knie afstrijken”. Ja, die vertaling is niet van mij hoor!’ We waren inmiddels bij het versje aangekomen:

Waar het hart zich echt ontspant
volgt vanzelf de stap naar buiten.
In het bewegen van Yin en Yang
voelt de lichamelijke vorm zich meebewegen.

Het was de bedoeling dat morgen, als de filmer er was, Muus en Jiang Wei een gevechtstoepassing van deze houding zouden simuleren. Jiang Wei zou tegenover hem staan en langzaam maar zeker met haar rechterknie een trap in de richting van zijn kruis uitdelen. Hij zou met zijn linkerhand haar aankomende been van zich af duwen en daarbij met zijn rechterhand haar borst van zich af stoten. Als het goed ging, zou zij uit balans raken en omvallen.
        ‘Nou Muus’, zei ik terwijl ik weer de Pauze-knop indrukte – ‘zie je jezelf morgen die beweging maken? Krijg je dat van je “lichamelijke vorm” gedaan – o sorry hoor, ik bedoel natuurlijk van je “verzameling aanrakingspunten”?’
        Hij zei niets, want hij sliep al.

(wordt vervolgd)

Meester Muus (novelle: deel 5 van 8)

(uit Optekeningen over het Uitzonderlijke uit een Sinologisch Studeervertrek 漢齋誌異 van Lloyd Haft)

Het verbaasde mij niet dat ik de volgende dag als eerste wakker werd, vlak na zessen. Ik had de avond tevoren, toen Muus al op de bank lag te slapen, de keuken verkend en nu, terwijl ik in de keuken op kousenvoeten over de verkwikkend koele vloertegels liep, zocht ik vlot muesli, melk en theebuiltjes bij elkaar. Ik had het fluitje van de ketel gehaald om Muus niet wakker te maken. Onder het oubollig huiselijke gesis van de gasvlam las ik opnieuw het merklapje dat aan de deur van de koelkast hing: ‘Gekte die tot eer strekt is meer waard dan verstand’.
        Muus’ alcoholrijke avond mocht mij doen twijfelen aan zijn paraatheid voor de sportieve ochtend die kwam; het weer beloofde in elk geval veel. Zon; een enkele witte wolk; aan de bladeren in de achtertuin te zien was het windstil. Buiten op het achterterrasje, daar moesten ze gaan filmen. Afhankelijk van waar de cameraman stond, kon het straks lijken of ze midden in de vrije natuur stonden.
        Ik wou de ketel met kokend water net van het vuur halen toen de telefoon ging in de woonkamer. Ik zette het gas uit en rende.
        ‘Hallo, met het huis van Muus Aarts?’
        ‘Ja Daaf, met Vera, ik hoop dat ik je niet wakker maak?’
        ‘Nee hoor, maar Muus die ligt nog boven’.
        ‘Nou. Daaf, moet je horen. ’t Is vannacht eigenlijk – nuja ’t is gewoon allemaal wat anders gelopen dan we dachten. Wei heeft niet zoveel kunnen slapen; zij is nu tóch wakker, en we vroegen ons af – komt het uit als we nu alvast daar bij jullie neerstrijken?’
        ‘Ja, mij prima hoor, met mij kun je alle kanten uit – maar Muus die ligt nog te slapen. Waar zijn jullie nu?’
        ‘We zitten nu nog bij Ed, we hebben ook allebei hier geslapen vannacht, maar dat is het juist zo’n beetje’ – haar stem werd zachter, omfloerst – ‘ ik vertel het je wel, straks, ’t is gewoon wat raar uitgepakt allemaal. ’t Is maar beter dat we nu even weggaan, iedereen eens laten uitwaaien’.
        ‘Nou, kom dan maar gauw! Moet ik thee of koffie zetten?’
        ‘Doe maar sterke koffie!’

Toen ik de wielen van hun auto op het grind hoorde knarsen was de koffie net uitgelekt en had ik het stukje bloeddoorlopen wc-papier dat ik na het scheren tegen mijn kin aan had gedrukt, er net weer van afgeplukt. Ik liep naar buiten om ze te verwelkomen – en zag meteen in de auto het eigenaardig dunne, puntige, onrust uitstralende hoofd van de windhond prijken. Hè wat onhandig nou, dacht ik, we hebben allemaal afspraken vandaag, we moeten ons goed kunnen concentreren. Maar toen werd mijn aandacht geheel opgeëist door de twee prachtige jachtgodinnen die aan weerszijden van de auto uit de opengaande deuren te voorschijn kwamen.
        Links duidelijk iemand uit de Volksrepubliek China, uit het Noorden dacht ik ook meteen, bijna even rijzig als Vera maar zonder die donkere, Indisch-meisjesachtige inslag. Haar haar was van alle kanten vrij kort, glad afgeknipt zodat het luchtig-bolvormig om het hoofd heen zweefde – de stijl die wij tijdens het Mao-tijdperk altijd ‘de rattenkop’ hadden genoemd. Als ze je aankeek, stonden haar ogen – alweer in mijn ervaring een veel voorkomend Volksrepubliek-kenmerk – niet scherp en stralend, maar leken in een andere dimensie achter te blijven. Ik moest even terugdenken aan wat Ed gisteren gezegd had, over twee los van elkaar bewegende helften van haar gezicht.
        Zij had een wonderlijk soort sportpak aan, van dunne, als lichtblauwe zijde ogende kunststof. Het jasje was vrij lang en begon van boven met een opstaand kraagje, duidelijk naar het model van een Sjanghai-jurk. Daaronder liep een verticale rij van de zo moeilijk te sluiten Chinese knopen, als van een badjoe Tjina, door tot op de hoogte van de borsten. De broek had ruime rechte pijpen die doorliepen tot op de tong van haar witte hardloopschoenen. Al met al niet wat men ‘een mooie vrouw’ noemt maar een boeiende mensengestalte, niet elegant maar sportief, speels, ja bekoorlijk, die ook door haar lengte respect inboezemde.
        Maar dan rechts Vera. Tussen gisteren en vandaag had zij kans gezien haar haar rood te verven. Het leek wel of ze in die tussenliggende tijd ook nóg langer was geworden – zij had nu zeer hoge witte sandalen aan met een enkelband, die pikant contrasteerden met haar zeer korte turquoise basketbalbroekje. Daarboven een chique uitgesneden versie van een wit herenoverhemd met korte mouwen. De scherp uitstekende borsten maakten het onmogelijk haar zeer slanke figuur jongensachtig te noemen, nog afgezien van de weelderige, nu dus knalrode paardenstaart. Ik dacht: je zou bijna denken dat ze een travestiet was, zo mooi-vrouwelijk is bijna geen vrouw! Maar die gedachte was puur en alleen afweer, nu al volstrekt nutteloos want zij had mij allang in de palm van haar hand.

Toen Muus tegen half tien dan eindelijk kans zag om de trap af te dalen, stond Vera net al in de deuropening om naar buiten te gaan en met Matt een wandeling te maken. Zij keerde meteen terug bij het zien van de onuitgeslapen hoog-zestiger die met zijn einsteins-kantiaanse witte haren en mild-verlopen gelaat er moe maar zeer toegankelijk uitzag. Muus hield even stil, duidelijk genietend van hoe de ochtendstralen van buiten zich warm door de keuken verlengden en zich in de stralende glimlachen van de twee Amazones mengden.
        ‘Zo!’ zei hij, ‘wat gezellig!’
        ‘Sorry hoor’, zei Vera, ‘dat we zo vroeg moesten komen. We hebben u toch niet wakker gemaakt hoop ik?’
        ‘Helemaal niet. En denk d’rom, wat ik je gisteren al zei: Muus die heet jij, jee lange-ij!’
        ‘Okeetje! Even voorstellen Muus, dit is onze Jiang Wei’, en in het Chinees legde ze uit dat Wei nu Meester Vrede voor zich had. Van de a-klank van ‘Aarts’ maakte zij in het Chinees an, een veel voorkomende familienaam die ook ‘vrede’ betekent. Als een expert bemiddelde zij nu tussen het gemoedelijk-onbeholpene van de Hollander en het gestileerde overdreven-vlotte van de Chinese.
        Men schakelde op Engels over, en hoewel Wei er best bij na moest denken, bleek dat alleszins te kunnen.
        Muus nam Jiang Wei mee naar de kamer om haar de Nederlandse DVD te laten zien; tot mijn verrassing bleek zij die nog helemaal niet te kennen.
        Zodra wij alleen waren, vroeg ik Vera: ‘Wat is er gebeurd?’
        ‘Nouja, het begon ermee dat – kijk, Wei en ik die zouden oorspronkelijk samen logeren in een hotelkamer in Leeuwarden , zo was het geregeld. Maar toen belde Ed dat ie veel liever wilde dat we allebei bij hem zouden gaan slapen, dat was veel gezelliger weet je? Achteraf was het heel erg dom van mij dat ik ja zei, ik ken Ed in die situaties, met vrouwen.
        ‘Nouja en toen vannacht, toen eh – toen had Ed gewoontegetrouw nogal wat op, en toen verwachtte hij opeens allerlei dingen van Wei waar zij niet zoveel mee aan kon. En daar is zij zo’n beetje op afgeknapt.
        ‘Maarjagod, kan ik me ook voorstellen hoor, je zult maar als Chinese daar helemaal in zo’n vreemde omgeving op een vreemd bed liggen, en dat er opeens zo’n stomdronken ruige vieze kaaskop naast je komt liggen die zegt: en nou wil ik je stoute jongetje zijn, nou wil ik billenkoek van je krijgen! En da’s dan de Directeur van de Stichting die je reis heeft betaald!
        Zij lachte hees, zinnelijk, met een blik vol verstandhouding. ‘Kijk, van mij kan ie dat soort dingen krijgen, ik beschouw het gewoon als para-medische dienstverlening, ik ben blij dat ik hem daarmee helpen kan. Anders zou die helemaal niet aan z’n gerief kunnen komen – wist jij dat Ed impotent is?’
        ‘Nee, hoe moet ik dat weten?’
        ‘Nouja ik bedoel, als je zo z’n boeken leest, Het orgasme de brandstof van het leven en zo, dan zou je toch denken, die man moet toch zeker een grote held in bed zijn. Maar dat is het ’m juist, hij vindt dát het heel erg belangrijk is, maar hij kan er zelf niet aan komen. Echt waar, hij kan alleen maar van een klap op z’n kont klaarkomen, echt over de knieën van zo’n Strenge Mammie’.
        ‘En dan de volgende dag weer lekker in de contramine tegen Moeder de Mij’.
        ‘Precies.’ Mijn ogen volgden de bewegingen van haar lippen terwijl zij de sigaret er tussen klemde, opstak en de eerste trek nam. De kleur van haar lippenstift, net iets donkerder dan die van haar nu rode haren, was perfect geselecteerd om de brede zonnevlek bovenaan haar wang extra te doen uitkomen.
        ‘Ja, alles kan op dat gebied hoor’, voer zij verder; ‘weet je dat er mannen zijn die klaarkomen als ze kijken naar zo’n vrouw die een sigaretje rookt? – ja niet nu hoor, zo bedoel ik het niet’ – zij barstte weer in hees gelach uit; en terwijl ik meelachte dacht ik: o nee, zeker niet, geen haar op mijn hoofd...
        ‘ – maar ik moet nu echt even naar Ed toe. Zoals wij hem zoëven achterlieten, daar had ik geen goed gevoel over. Hij kan soms echt helemaal in zo’n emotie klimmen. Ja, dat is ook zijn filosofie hè? Nooit onderdrukken, altijd laten komen, laten opkomen, altijd ruimte maken voor alles wat komt. “Dat doet zo’n baarmoeder ook” zei die altijd’ – In beide ogen stond nu een traan.
        ‘Hoe bedoel je, “zei”?’
        ‘Nouja, op de groep dan. Maar dat is nu echt al verleden tijd hoor, dat zie ik hem al niet meer opbrengen. Ik zei nog laatst tegen hem: ik ben nog net op tijd in jouw leven gekomen om je lappenmand klaar te maken’.
        ‘Goh, toen ik hem gisteren zag, maakte die niet eens zo’n slechte indruk’.
        ‘O nee, hij kan ook best helemaal stralen, dat is het punt niet.’ Zij keek weg. naar beneden. Met de hak van haar rechterschoen speelde zij met een paar stukjes grind. ‘Vooral als ie weer eens op jacht is’. Het stellige van zoëven was weer weg uit haar stem.
        ‘Neem je de hond mee terug?’
       ‘Nou nee, liever niet. Ik ben zo bang dat Ed hem dan straks weer vrij laat rondlopen, dat doet-ie weleens als ie boos is. Dan moet ie via Matt er weer even helemaal uit breken, weet je? Maar dat mag helemaal niet, bij zo’n afghaan, dat is door de Jachtwet verboden’.
        ‘Ook weer het Dooie Verbooiene’.
        ‘Pre-cies.’ Wij lachten allebei. Van de opluchting kwamen haar tranen eruit en liepen langs beide wangen. Daar doorheen keek zij mij aan. In haar ogen lag nu verdriet, maar ook de vrede van het erkend-zijn.
        Ik hoorde hoe mijn stem zei: ‘Weet je dat ik jou een moordmeid vind?’
        Zij zei niets maar glimlachte, keek naar de grond, legde haar vingers zacht om mijn elleboog heen: ‘Ik blijf niet zo lang, een uurtje misschien. Maak jij straks met Matt een wandeling?’
        ‘Ja hoor, tot zo!’ Terwijl ik keek en luisterde hoe zij door het grind stapte, hoorde ik al stemmen om de hoek, achter het huis.
        Vera stapte de auto in, startte en wuifde met een doordringende glimlach van achter de massieve zonnebril. Ik stond na te wuiven tot ze in de verte verdween en voegde mij snel bij Muus en Jiang Wei. Zij stonden achter op het terras waar de vroege ochtendzon op straalde. Wei had het jasje van haar sportpak al uitgetrokken. Daaronder had zij, bleek nu, een wit basketbalhemd aan met een opdruk in rode en blauwe karakters: ‘Instituut voor Martiale Kunsten, Changsha’.
        ‘Niet lachen hoor!’ riep Muus mij toe. Hij stond er in een verschoten spijkerbroek met daarboven een rood Hawaii-hemd en een blauw honkbalpetje. Ik vond het meteen onverstandig dat hij nieuwe gympen aan had. Bij de ongewende draaibewegingen die hij straks moest maken was er veel kans dat de zolen zouden blijven vastplakken tegen de tegels – op zijn minst onhandig, wie weet zelfs gevaarlijk voor de enkels. In de tuin gaan oefenen was geen alternatief omdat die nogal hobbelig was, en bovendien nog nat na de regen van vannacht.
        Nuja, ik kon niet alles voor ze regelen. ‘Zeg, ik ga even met Matt een wandeling maken. Ik zie jullie straks hè?’ Wei was al bezig aanwijzingen te geven, hoe Muus tegenover haar moest gaan staan.
        Op de grindweg zei ik tegen Matt: ‘Jij hoeft geen oefeningen te doen hè, om je je lekker natuurlijk te kunnen bewegen. Dat kun jij al! En al die mensjes maar ingewikkeld doen’ – maar opeens moest ik mijn mond houden en keihard aan de lijn trekken om hem tegen te houden, want hij rukte krachtig naar de wegkant toe. Hij had iets gevonden wat hem bijzonder aantrok. Het bleek een hondendrol te zijn, die hij prompt begon op te vreten.

Toen Matt en ik thuiskwamen, zag ik dat de auto nog weg was; maar er stond ook niemand achter op het terras. Ik bond Matt vast en liep naar de achterdeur. Die stond open. In de keuken niemand. De ontbijtborden en theekoppen stonden nog ongewassen op het aanrecht.
        Onraad? Ik liep door naar de woonkamer – en daar lag Jiang Wei op de bank op haar zij, naar het rugkussen toe gewend. Zij sliep niet maar draaide zich bij het naderen van mijn voetstappen meteen om.
        ‘Jiang Wei!’ zei ik: ‘Wat is er? Ben je niet lekker? Waar is Leraar Vrede?’
        ‘Geeft niet’. Zoals alle Chinezen glimlachte zij door haar ongemak heen, juist ook als ze iets vervelends aan het vertellen was. ’t Is mijn fout hoor, ik heb het vast niet duidelijk genoeg uitgelegd. Leraar Vrede voelt zich nu niet helemaal zo best. Hij is nu naar boven toe om zich om te kleden’.
        Om zich om te kleden’. Wat raar nou. ‘Maar – gaat het nog goed of zo, ik bedoel, hebben jullie toch een beetje kunnen voorbereiden voor vanmiddag?’
        ‘Kijk, Leraar – ’ en ik dacht: joh, laat dat ge-leraar, maar ik wist dat zij zich nog ongemakkerlijker zou voelen als ik zou eisen dat zij mij bij mijn voornaam noemde, voor haar zou dat klinken alsof zij mij als een inferieur beschouwde, of als een kind – ‘het is eigenlijk zo dat – ik geloof dat – dat wij vanmiddag maar beter de opname in een iets andere samenstelling kunnen maken. Ik stel voor dat Vera mij vervangt, zij is ook heel goed in tai chi’.
        Wow. ‘Maar – maar zij heeft nog niet met Muus geoefend’.
        ‘Kunnen ze straks doen, als zij terug komt’.
        ‘Jawel...’ Zij was inmiddels overeind gaan zitten en streek met de vingers van beide handen door haar haren. Ik hoorde hoe op de bovenverdieping een krachtige stroom water liep. De douche.
        ‘Leraar, ik moet toch eerder naar China terug, heb ik bedacht. Ik heb toch een aantal zaken daar die ik dringend moet regelen, mijn moeder is nogal ziek’. Buiten hoorde ik de auto aankomen.
        ‘Is ze opeens heel slecht geworden of zo?’
        ‘Nee – nee nee, ik wist het al. Het is mijn schuld; ik had er al eerder aan moeten denken, ik had niet zo zelfzuchtig moeten zijn om naar Europa te komen’.
        ‘Ach, Mátt-tieee!’ De stem van Vera buiten, ditmaal in haar flink-moederlijke hoedanigheid. ‘Hebben ze je helemaal alleen gelaten jochie?’
        Door het raam heen zag ik hoe Vera bukte, vanaf de spannende hoogte die de witte sandalen haar verleenden, en Matt zich helemaal liet nestelen in de warme ruimte tussen haar prachtige armen en benen.
        ‘Bofkont’ zei ik hardop in het Hollands.
        ‘Wat zegt u, Leraar?’
        ‘Niks’.

(wordt vervolgd)